|
Gepubliceerd in colorfull editie 13 Roots II Ik kom er tijdens mijn roots zoektocht achter dat mijn roots langs moederlijn anders liggen dan ik altijd heb gedacht. De lijn vanuit mijn betovergrootvader was duidelijk en sterk aanwezig. Die kende ik. Maar ineens als door een wesp gestoken tijdens een van de bijeenkomsten van het project ‘Back to the Roots’, een onderzoeksproject van de Erasmus Universiteit en het Tropeninstituut onder leiding van professor Alex van Stipriaan waaraan ik meewerk, kreeg ik dat inzicht. De moederlijke lijn is niet Macknack zoals ik altijd gedacht heb, maar Bruin. Mijn moeder’s moeder heette Macknack naar haar vader. Haar moeder was Harriette Leentje Bruin. Mijn overgrootmoeder dus. Daar stopt het want zij was wees en is opgevoed (gekweekt zoals men dat in Suriname noemt) door Duitsers. Heeft die Duitser misschien mijn betovergrootmoeder bezwangerd? Was mijn overgrootmoeder echt van Duitsen bloed? Mijn moeder vertelde dat haar oma wanneer ze moest komen eten altijd riep: “Komen sie essen?” Hoe en wanneer was mijn betovergrootmoeder gestorven? Ja,ja, natuurlijk na de geboorte van mijn overgrootmoeder. Ik ben niet gek, maar wat ik bedoel is: wat is er met haar gebeurd? Was ze gestorven of verkocht? Of was mijn overgrootmoeder als kleuter verkocht? In die periode was de slavenhandel vanuit Afrika reeds afgeschaft. Er werden geen slaven meer ingevoerd, dus fokte men ze zelf in Suriname. Droeg mijn overgrootmoeder zijn naam, van die Duitser, dus Braun? Nu Bruin. Was ze een huisslavinnetje? Op1 juli jl. werd in het Oosterpark in Amsterdam de afschaffing van de slavernij herdacht. Het was een sobere, waardige bijeenkomst. Ik presenteerde het programma en begon mijn welkomstwoord als volgt:
Ik draag vandaag een koto. Een klederdracht van afro Surinamers. Deze koto is geweest van Henriette Leentje Bruin. Mijn overgrootmoeder. Op 1 juli 1863, de zogeheten afschaffing van de slavernij, was zij 6 jaar oud. Mijn overgrootmoeder. Zo dichtbij is het. Zo tastbaar is het. Ik draag vandaag haar koto om haar te eren en met haar alle slachtoffers van de slavernij.
De foto’s die daarbij gemaakt zijn, wil ik jullie niet onthouden. Kijk maar! Die prachtige oude koto, tenminste ik vind het prachtig, is al meer dan zestig jaar oud. Ik koester de kleding die ik nog van mijn overgrootmoeder heb. Zes maanden oud was ik toen zij op vierennegentigjarige leeftijd overleed. Een sterke vrouw! Kan ik me niet echt herinneren, maar het kan niet anders. Ik kom voort uit een geslacht van sterke vrouwen. Vrouwen die uitdagingen aangingen. Vrouwen met durf, lef. Vrouwen die verantwoordelijkheid namen voor hun leven. Mijn grootmoeder van moeders kant heeft zo lang ik me kan herinneren op Curaçao gewoond. In de jaren vijftig was er veel werk op Curaçao. Veel Surinamers trokken daar naartoe. Ze hadden geen visum nodig. Geen enkel probleem: verkassen binnen het Koninkrijk der Nederlanden. Van daaruit ondersteunden ze de in Suriname achtergebleven familie. Haar oude moeder, mijn overgrootmoeder dus, maar ook haar broers en zussen. Toen haar moeder overleed, kon ze niet naar de begrafenis komen vanuit Curaçao. Daarom heeft mijn moeder mij twee maanden later toen ik acht maanden oud was naar oma gestuurd op Curaçao. Dat ze niet zo alleen zou zijn. Wat heeft ze me toen verwend die krachtige vrouw.
Ook zo’n sterke vrouw was mijn oma van vaderskant. Viel toen ze tachtig jaar oud was uit een zogeheten ‘wilde bus’. Wild waren die bussen zeker. Ze stopten waar je maar wilde in- of uitstappen. De chauffeurs propten er meestal twintig personen in, in plaats van de toegestane 13 personen. Prompt viel mijn oma vanuit de achterklep op het wegdek. Een gebroken heup was het gevolg en wij dachten dat ze nooit meer zou kunnen lopen. Wel nee! Binnen zes weken was ze weer op de been alsof er niets gebeurd was. Maar wat wil je, mijn oma was in 1920 over zee vanuit het eiland Sint Lucia vertrokken naar Frans Guyana, eigenlijk ook naar Nederlands Guyana en Brits Guyana want ze trok het oerwoud in op zoek naar goud. En in het oerwoud zijn geen grenzen aangegeven gelukkig! Of ze goud gevonden heeft in Eldorado weet ik niet. Ik heb er in ieder geval nooit iets van gemerkt. Mijn familie is nooit rijk geweest in materiële zin. Wel is ze in het oerwoud bevallen van een gezonde zoon, mijn vader. En het verhaal gaat dat zij zichzelf heeft geholpen bij de bevalling, helemaal alleen. De navelstreng zou ze met haar tanden hebben afgebeten. Ik koester mijn roots en daarmee het idee dat ik uit zo’n oerkracht ben voortgekomen.
|