Month: december 2011

Gabon

Het Centraal-Afrikaanse land Gabon is uniek in vele opzichten. Er is vrijwel geen toerisme, het is naar Afrikaanse begrippen stinkend rijk en het heeft bovendien een ongekende natuurpracht. Vooral door die natuurverhalen werd ik gegrepen en ik besloot een voettocht te maken door een van de minst ontdekte oerwouden ter wereld. De trek ging dwars door het leefgebied van bosolifanten, chimpansees en gorilla’s.

“Waar ga je heen?” Wilden mijn vrienden weten. “Oh, je bedoelt Gambia?” “Nee, Gabon,” antwoordde ik voor de zoveelste maal, “Dat ligt niet in West-, maar in Centraal-Afrika.”
Eerlijk gezegd was het land me ook nooit zo opgevallen. Het ligt verscholen in de zogenaamde ‘oksel’ van Afrika, ingeklemd tussen Equatoriaal-Guinea, Kameroen en Congo-Brazzaville. Eigenlijk hoor, of lees je er nooit wat over. Totdat de National Geographic mij onder ogen kwam. Het ging over de Amerikaanse bioloog en ontdekkingsreiziger, Michael Fay. Hij doorkruiste het Centraal-Afrikaanse oerwoud van noordoost Congo, tot aan de kust van Gabon. Het verhaal en fotografie triggerde mij. In anderhalf jaar tijd liep Fay samen met een groep dragers en gidsen dwars door deze onbekende jungle. Zijn metgezellen koos hij zorgvuldig uit. De meesten bestonden uit pygmeeën, een jagersvolk waarvan de mensen vaak niet groter zijn dan anderhalve meter. Ze weten feilloos op de natuur te vertrouwen. Fay noemde Gabon een van de laatste stukjes Eden op aarde.

Bijzondere natuur
Daar moest ik het fijne van weten. Al snel kwam ik in aanraking met Operation Loango. Deze organisatie, opgezet door de Nederlander Rombout Svanborn, werkt nauw samen met het WCS (Wildlife Conservation Society) en het Wereld Natuurfonds. Hun exclusieve Loango Lodge, gesitueerd aan de rand van Loango National Park, is een van de weinige plekken waar toeristen de zeer bijzondere natuur van dichtbij kunnen meemaken.

In negen uur tijd zit ik van hartje Amsterdam, via Parijs, in Libreville. Een warme deken slaat zich om me heen als ik vroeg in de ochtend het vliegtuig uitstap. Eenmaal de douane door stort zich een tiental kruiers en zogenaamde taxichauffeurs op me. Een zichtbaar dronken jongeman grijpt ongevraagd mijn tas en sleept hem voor zich uit. Alleen een non merci heeft nu niet veel impact. Ik duw en sla hem uiteindelijk, dan pas laat hij los.

Kleine wormpjes
Met de nationale currency op zak, neem ik een taxi. Een paar minuten later stap ik uit bij het Tropicana hotel, buiten het centrum van de hoofdstad. Libreville is een van de duurste steden ter wereld, is me verteld. Bijna alle goederen moeten geïmporteerd worden en dat kost een hoop centen. Van toerisme is amper sprake. De vluchten ernaartoe zijn niet goedkoop en bovendien kent het land vrijwel geen toeristische infrastructuur. De hotels zijn voornamelijk gevuld met mensen die in de olie-industrie werken. Door de aanwezigheid van dit zwarte goud en door de export van tropisch hardhout, staat het land in de top drie van hoogste BNP (bruto nationaal product) per hoofd van de bevolking, van heel het Afrikaanse continent.
Het Tropicana hotel ligt direct aan de Atlantische kust. Ik overweeg een duik, maar laat me weerhouden door wat ik zojuist gelezen heb. In het zand schijnen kleine worpjes voor te komen, die zich door je voetzolen je lichaam inkruipen. Niet echt my piece of cake en ik laat mijn zwembroek droog. De lokale jeugd hier, schijnt dat niet te deren en paradeert blootsvoets over het strand.

Die middag verken ik Libreville. De stad ligt uitgerekt langs de Atlantische kust. Het is een moderne stad met Afrikaanse gemoedelijkheid. Aan het einde van de dag halen een paar vissers hun netten binnen. Als ik twee jonge vrouwen de weg vraag, nemen ze de taak van gids op zich en laten mij hun stad zien. Ze nemen me mee langs kleine zaakjes en de lokale Arts en Craft market. We drinken een kopje koffie in een koloniale salon du thé en brengen een kort bezoek aan het nationale museum.

Ondoordringbaar oerwoud
Het echte avontuur begint de volgende dag. Ik vlieg via de tweede stad van het land, Port Gentil, naar het stadje Omboué. Even buiten Libreville begint langzaamaan het oerwoud. Op het oog ondoordringbare bossen die zo nu en dan onderbroken worden door meanderende rivieren. Het land bestaat voor driekwart uit oerwoud. Er liggen nagenoeg geen verharde wegen. De inwoners gebruiken waterwegen of ze vliegen. Boven Port Gentil wordt de aanwezigheid van oliemultinationals als Elf en Shell duidelijk. Kaalslag van het oerwoud, ten behoeve van een groot industriegebied, dat de maagdelijkheid van het land aantast.

In Omboué haalt de boomlange, blanke Zimbabwaan Dean me op. Hij is de komende dagen mijn gids. Samen met de twee dragers Ntete en Pierre stappen we in een motorboot en varen naar Evengue. Op dit eiland, middenin de jungle, heeft Operation Loango een gorilla-project opgezet. Hierbij wordt samengewerkt met de Apenheul in Apeldoorn. Naast een aantal volwassen gorilla’s die blijvend in een omheind gebied zitten, worden hier in beslag genomen babygorilla’s ondergebracht. “De baby’s worden door mij opgevoed,” vertelt verzorger Laundry trots. “Hun moeders zijn door stropers afgeschoten. Daarna worden de baby’s als huisdier aangeboden op markten.” Luid krijsend rent de tweeënhalf jaar oude Essogue heen en weer tijdens zijn dagelijkse speeluur. Zo nu en dan slaat hij als een echt zilveruggorillamannetje betaamt, met zijn vuistjes op de borst. De tien maanden jonge Owendja ziet het gelaten aan en klimt terug in de armen van Laundry.

Na een dag dollen met de babygorilla’s, pakken we de boot naar de missiepost St Anne. Hier staat in the middle of nowhere, een half vergaan kerkje ontworpen door Gustav Eiffel, de man die de Eiffeltoren ontwierp. Nog altijd woont hier een missionaris die kinderen uit de omgeving lesgeeft. Over de pikzwarte Mpivie-rivier vervolgen we onze weg stroomopwaarts. Opgeschrikt door het geluid van de motor, plonzen her en der varanen en krokodillen van hun plekje in de zon, het water in. Na anderhalf uur varen, komen we aan bij een dorpje. Een overlandtruck rijdt ons vervolgens naar de Loango Lodge.

Bosolifanten
Ik neem mijn intrek in een Afrikaanse hut met westerse luxe en plof neer op het zachte matras. In de namiddag neemt Dean me mee naar de overkant van het water. Daar heeft een groep bosolifanten de savanne opgezocht en laat zich, tegen de wind in, tot dichtbij benaderen. “Zie je het verschil met de olifanten die in Zuid- en Oost-Afrika voorkomen?” vraagt Dean mij. “Deze dieren zijn kleiner, ze hebben een andere stand van hun slagtanden, meer naar beneden en hebben bovendien aan elke voet één teen meer dan de savanne-olifant. Tot een aantal jaar terug werden ze nog tot één soort gerekend,” vertelt hij. “Maar ze bleken zoveel te verschillen dat er nu naast de Aziatische- en Savanne-olifant ook de Bosolifant bestaat.” Ik knik instemmend, maar zie het verschil niet zo snel.

Al vroeg in de ochtend varen we in een klein bootje naar het bushcamp Akaka. De tocht gaat over brede, donkere wateren met her en der dichtbegroeide eilanden. We komen twee vissers in een panga tegen, voor de rest niemand. Grote hoeveelheden witte reigers en een paar ijsvogels vliegen op als we ze naderen. “Dit is ook het leefgebied van de zeekoe,” vertelt Dean. We zien er helaas geen. Net als dat we een hoop andere dieren niet zullen zien. “Het stikt hier van de dieren; gorilla’s, chimpansees, bosbuffels, nijlpaarden, luipaarden, slangen noem maar op, maar ze daadwerkelijk zien, dat is een tweede,” zegt Dean. Hij moet lachen als hij mijn beteuterde blik ziet en legt uit: “Het bos is dichtbegroeid en bovendien hebben zij ons vaak eerder door dan andersom. Maar als je een beetje geduld toont, je ogen en oren goed openhoudt en ook details weet te waarderen, dan zul je ervan opkijken wat je allemaal tegenkomt,” verzekert de Zimbabwaan me.

Het bushcamp Akaka is niet meer en niet minder dan een plek waar het moeras ophoudt en het oerwoud begint. Er staan enkele tentjes. Twee jonge ecologen doen hier een paar maanden achterelkaar onderzoek naar de flora en fauna. Het enige contact dat ze met de bewoonde wereld hebben gaat over de radio. Ze zijn dan ook zeer verheugd ons te zien. Eindelijk weer eens een ander gezicht om tegen te praten. Na een avond vol verhalen aan het kampvuur, word ik in slaap gewiegd door het constante gezoem van duizenden muggen.

Mierensnelwegen
De dageraad breekt al vroeg aan. Vogels fluiten me wakker. Het valt me op wat voor een oorverdovend geluid het oerwoud voortbrengt: van snerpende krekels en krijsende papegaaien tot vallende noten en krakende takken. Het oerwoud leeft! Agressieve, rode bijtende mieren trekken met honderdduizenden tegelijk over mierensnelwegen. Torren en kevers schieten weg tussen het dikke bladerpak.

Na een koud blikje witte bonen in tomatensaus als ontbijt, waden we een stuk door een moerassig gebied naar een plek waar het echte bos begint. Metersdikke en tientallenmeters hoge tropische bomen torenen boven ons uit. Een paar meter voor me lopen Dean en Pierre en achter mij loopt Ntete. Ik let op waar Dean zijn voeten plaatst en probeer die van mij, op precies dezelfde plek te planten. Ik zak tot mijn enkels weg in het drassige bladerdek en realiseer me dat dit het echte junglewerk is. Pierre hakt intussen takken weg. “We lopen op een olifantenpad,” antwoordt Dean als ik hem vraag hoe het komt dat er middenin de jungle een paadje ligt. Hij laat me even verderop de sporen van de dieren zien: uitwerpselen, modderpoelen, schuurplekken aan bomen en halfontbladerde afgebroken takken. Na urenlang lopen, af en toe rennen voor de agressief bijtende rode mieren, houden we rust op een open plek in het woud. Dan pas heb ik de tijd om de omgeving goed in mij op te nemen.

Gevaar!
Als we net weer aan het lopen zijn, houdt Pierre plotseling halt. Hij draait zich om en zijn grote ogen verraden gevaar. Dan pas zie ik wat er aan de hand is. Op nog geen tien meter van ons staat een bosolifant. Het dier heeft ons gelukkig niet gezien, anders was hij gevlucht of had ons aangevallen. “Michael Fay is een keer door een olifant aangevallen en meerdere keren doorboord met zijn slagtanden,” fluistert Dean. “Dat hij het nog kan navertellen is een wonder.” Wij besluiten om achter de wind, om het dier heen te lopen. Het lukt ons om ongemerkt erlangs te komen. Maar als we even later bij een open stuk savanne komen, blijkt er een hele kudde olifanten te grazen. Als eerste zien de bosbuffels ons en vluchten de bebossing in. Sommige olifanten volgen dat voorbeeld. Anderen blijven alert en volgen ons met hun reuk- en gehoororganen. Angstige momenten volgen als we de savanne oversteken. Geen boom om in te klimmen. Gelukkig blijkt dat onnodig.

Krokodillensporen
Aan het einde van de middag wordt het geruis van de oceaan steeds duidelijker. De watermassa kan niet ver meer zijn. We steken een paar kleine riviertjes over en staan dan vrij plots op het strand van Petit Loango. Dit is de naam voor de plek waar het strand iets breder is en een rivier de oceaan instroomt. Een paar bosbuffels slaan ons van een afstandje gade. “In de avond komen ook andere zoogdieren het strand op,” weet Ntete. “Ik heb olifanten en zelfs nijlpaarden het strand op zien gaan. Het oerwoud stopt bijna aan de oceaan en dat maakt het mede zo speciaal.” Dean laat zich met kleren en al in de rivier vallen. Ik ontdoe me eerst van mijn kledij en volg zijn voorbeeld. We spoelen het zand, zweet, takken en bladeren en andere stukjes oerwoud van ons af. Pierre komt met schrikogen op ons afgelopen en wijst op een plek uitgeschuurd zand. Wij springen het water uit. Het blijken verse krokodillensporen te zijn.

Moedeloosheid
Na een heerlijke nacht gevuld met oceaangeluid, breekt de laatste en tevens zwaarste dag van de tocht aan. Het is een volle dag lopen naar het bushcamp Tassi, ons eindpunt. Geen schaduw, maar vol in de Afrikaanse zon en met slechts één fles water. Krabben rennen zijwaarts weg, papegaaien krijsen in de boomtoppen vijftig meter naast ons. Het wordt me al snel duidelijk dat dit geen makkie is. Het lichte zand reflecteert de zon nog eens extra en de zoute zeelucht bijt in mijn gezicht. Door het schuren van het zand worden mijn voeten, daar waar de drukpunten van mijn sandalen zitten, tot bloedens toe kapot geschuurd. Af en toe doorkruisen we een rivier, wat voor een beetje afkoeling zorgt. Van afstand, tussen de wortels van de mangrovebomen door, houden krokodillen ons scherp in de gaten.

Net als bij mij de moedeloosheid de overhand begint te krijgen, wenkt Ntete ons naar een gat in de bosrand. Het blijkt de doorgang naar Tassi. Een gealarmeerde ranger wacht ons op en vaart ons het moeras over naar de savanne waar het kampement staat. Zonder de gebruikelijke begroetingsrituelen stort ik me op de flessen regenwater. Na de beste ‘douche’ ooit, een emmer water met gaatjes, ben ik voor een paar tellen zweetvrij en voel me herboren.

Gorilladames
Ik ontmoet de gorillagirls. Drie jonge, vrouwelijke Europese primatologen, die onderzoek doen naar de leefwijze van in het wild levende laaglandgorilla’s en chimpansees. “Wij proberen de dieren aan ons te laten wennen. Dat vergemakkelijkt het onderzoek naar hen,” vertelt Jojo Head. Het zijn een soort hedendaagse Dian Fossey’s, (de Amerikaanse die, tot zij in 1985 door stropers werd vermoord, onderzoek deed naar gorilla’s in Congo en Rwanda) maar dan van de laaglandgorilla’s. “Een ander doel is om ecotoeristen tegen een flink bedrag te laten zien hoe waardevol dit gebied is. Alleen als de regering inziet dat toerisme geld oplevert, kan dit een beschermd gebied blijven en wordt het niet door de houtkap opgeofferd.” De vierentwintigjarige Head coördineert het geheel. Al een jaar eet zij conserven, wordt zij geteisterd door wormpjes die zich in haar voetzolen nestelen en zuigen duizenden muggen en Tseetseevliegen haar leeg. “Het weegt niet op tegen het werken met de mensapen, dat is onbeschrijfelijk.”

Als ik ze hoor vertellen en aan het werk zie, denk ik die gedrevenheid een beetje te begrijpen en bewonder ze uitermate. De natuur in Gabon en de mensapen in het bijzonder, zijn zo speciaal. Voor het behoud moet geknokt worden en deze dames zetten hun hele leven daarvoor in. Diep getroffen door hun geestdrift, verlaat ik de bush. Een paar dagen later, als ik in Amsterdam op mijn fiets rijd, dringt het pas echt tot me door hoe bijzonder betrokken sommige mensen kunnen zijn.

Gabon in het kort

Gabon ligt aan de westzijde van Centraal-Afrika en werd in 1960 onafhankelijk van de Fransen. De 1,3 miljoen mensen wonen in meerderheid in de steden Libreville, Port Gentil en Franceville. De rest van het land, dat 6,5 maal zo groot als Nederland is, is dus heel dunbevolkt. Dit komt vooral door de ondoordringbaarheid van het tropisch regenwoud. Het woud beslaat bijna driekwart van het landoppervlak. Door houtkap, olievoorraden en andere grondstoffen, is Gabon relatief een rijk land. Maar zoals zo vaak, profiteert slechts een kleine elite van die rijkdom. Voor velen zijn de schreeuwend dure geïmporteerde goederen onbetaalbaar.

Je reist naar Gabon vanwege de schitterende natuur. Een paar jaar geleden heeft het langst zittende staatshoofd van Afrika, de zogenaamd ‘democratisch’ gekozen president Omar Bongo, een netwerk van 13 nationale parken aangewezen. Dit werd vooral geïnitieerd door toedoen van de ecologisten Michael Fay en Lee White. In deze parken, maar ook erbuiten, kun je naast een adembenemende flora, ook laaglandgorilla’s, chimpansees en bosolifanten treffen. Een safari in Gabon is overigens totaal anders dan eentje in zuidelijk Afrika. Hier komt het neer op details en geduld.

Praktische informatie

Reizen
Air France vliegt wekelijks een aantal maal vanuit Parijs op Libreville. Goedkoper, maar omslachtiger vlieg je via Casablanca met Royal Air Maroc of via buurland Kameroen. Prijzen variëren tussen de € 600 en € 1000 voor een retourticket. Binnen Gabon ben je vooral aangewezen op de lucht- en waterwegen.

Slapen
In de grote steden vind je bekende Franse hotelketens. Het enigszins ranzige hotel Tropicana ligt vlakbij de vliegveld en is door zijn excellente restaurant en bar aan de oceaan zeker het aanbevelen waard. tel 731531,


tropicane@inet.ga
Dit emailadres is beveiligd tegen spambots, u heeft javascript nodig om het te kunnen bekijken

Loango Lodge. Deze exclusieve lodge ligt aan de rand van het Loango National Park. Van hieruit is van alles mogelijk. Zo kun je met gidsen de verschillende ecosystemen bekijken, te weten oerwoud, moerassen, savannes en stranden. Je kunt ook meerdaagse trektochten doen onder primitieve omstandigheden met een privé gids. Afhankelijk van je eigen wensen kun je te voet, per 4×4 of per boot het park ontdekken. Contact Natalie Masseus:
info@operation-loango.com


Dit emailadres is beveiligd tegen spambots, u heeft javascript nodig om het te kunnen bekijken
of www.operation-loango.com

Planning
Gabon ligt op de evenaar. Hierdoor is het er het hele jaar warm en klam. Het droge seizoen, van juni t/m augustus, is perfect om walvissen te zien. Er hangt dan wel vaak een grijs wolkendek over het land. In het regenseizoen, februari t/m mei, valt veel regen in korte tijd, maar is het de rest van de dag vaak zonnig. In deze periode kun je olifanten en buffels op het strand spotten.

Visum
Je kunt er zelf eentje regelen via de Ambassade in Brussel voor € 75. +32 (2) 3406210.

Prikken
Laat je van tevoren goed inlichten. De hele mikmak wordt aangeraden. Malaria komt het hele jaar door voor. Een gele koorts inenting is overigens verplicht.

Handig
De tropen zijn erg vochtig en klam. Neem katoenen sneldrogende kleding mee, met zowel lange als korte mouwen. Aan te raden zijn sneldrogende afritsbroeken, goede lage dichte schoenen, een klamboe en anti-muggengel met DEET. Een goed adres waar je terecht kunt voor je complete tropenuitrusting zijn de buitensportzaken van Carl Denig, in Amsterdam, Den Haag en Nieuwegein.

Geld
Alleen Visa credit cards worden geaccepteerd in de grote steden. Het handigste is om een hoop cash euro’s mee te nemen.
Literatuur:
Gabon, São Tomé and Príncipe, The Bradt Travel Guide, Sophie Warne.
The last place on earth, tekst Mike Fay, fotografie Michael Nichols.

Top