Month: april 2011

Nicaragua

Nicaragua – Het land van de meren, vulkanen en vriendelijkheid

Het land waar in de jaren tachtig een bloederige burgeroorlog woedde, wordt nu langzaamaan ontdekt door het toerisme. Nicaragua is in velerlei opzicht een land van contrasten. Qua natuurschoon doet het zeker niet onder aan haar omringende landen. Een bergachtig gebied in het noorden, een sliert van actieve en niet-actieve vulkanen en hagelwitte stranden in het westen. En aan de oostkant, het Atlantische Laagland, een tropisch regenwoudklimaat dat grotendeels bestaat uit moerasbossen en meren.

Na een lange vlucht via Miami en Costa Rica landt het vliegtuig in Granada. Deze oudste koloniale stad van de nieuwe wereld is adembenemend mooi. De gekleurde, hoge koloniale panden ademen een warme sfeer uit. Er heerst een soort vanzelfsprekend relaxte ambiance. Wat betreft toerisme is dit de meest ontwikkelde stad van het land. Het ligt zo’n honderd kilometer ten zuidoosten van de hoofdstad Managua, aan het meer van Nicaragua, ook wel Lago Cocibolca genoemd. Daar waar het meer van Managua door gifstortingen levenloos is, bruist dit water van het leven. Hier schijnt zelfs de enige zoetwaterhaai ter wereld voor te komen.

360 eilandjes
De stad is rijk geworden door handel. Piraten en vijandige legers hebben haar in het verleden een aantal malen in de as gelegd, maar steeds is zij als een feniks herrezen. De koloniale panden, met elk hun eigen tropische tuinen in de patio’s, vormen het centrum. De vele kerken, de paard en wagens, de pleintjes gevuld met marktlui; deze stad straalt gemoedelijkheid uit. En hoewel dit één van de meest toeristische plekken van het land is, struikel je er hier niet over. Granada vormt een prima startpunt van de vakantie

In het meer voor de kust van de stad liggen ruim 360 eilandjes, Las Isletas genaamd, gevormd door rondvliegende rotsblokken bij de uitbarsting van de nabijgelegen Mombacho vulkaan, 20.000 jaar geleden. Een deel ervan is ten prooi gevallen aan Amerikaanse projectontwikkelaars, die de eilandjes voor grof geld doorverkopen. Maar de meeste eilandjes worden nog bewoond door de oorspronkelijke bevolking. Soms leven een aantal gezinnen op een eilandje dat niet groter dan 500 m2 is. Overal zie je kinderen zwemmen en vrouwen de was doen.

Wij meren aan bij een eilandje waar een restaurantje is gebouwd. Twee groene papegaaien zitten elkaar te pluizen op een stok. De eigenaar knikt vriendelijk, maar maakt geen aanstalten om op te staan. Dan komt zijn dochtertje aangerend en voorziet ons van een koud frisdrankje.

Natuurreservaat
Achter het restaurant tref ik Juan (32) aan. Hij is visser en woont er al zijn hele leven “Ik ga misschien één keer in de week naar de stad om inkopen te doen. Of om mee te doen aan de hanengevechten. Voor de rest heb ik hier alles.” Evenals de rest van de eilandkinderen, gaan ook zijn vijf kids met de boot naar school op het vaste land. Een dagelijks schouwspel.

Die avond slenter ik over het mooie plein bij Parque Colón en ga helemaal op in de levendigheid. Oma’s en opa’s staan te discussiëren, pubers fluiten meisjes achterna en een stel kleuters trappen tegen een bal aan. Er tussendoor staan marktlui hun waren aan te prijzen. Als ik het aangrenzende straatje doorloop, sta ik plots in hotel/bar El Club. Het Nederlandse paar Ellen en Marco Snoek blijken dit oude pand te hebben gerenoveerd en draaien nu een van de meest trendy tenten van de stad. Ellen vertelt: “We liepen hier binnen en wisten meteen: dit gaat het worden. Dat was twee jaar geleden. Sindsdien hebben we keihard gewerkt. Het is best tegengevallen, alles valt duurder uit en Hollandse efficiency is hier niet bekend. Maar nu komen onze buren ons complimenteren.”

Mijn taxichauffeur dropt me de volgende ochtend dertig kilometer ten zuiden van Granada, bij het entree van Volcán Mombacho natuurreservaat. Waar aan de voet van de vulkaan nog het zonnetje schijnt, zit ik hier middenin een regenwolk. Gelukkig verkopen ze hier poncho’s. De 4×4 vrachtwagen rijdt schuin omhoog de helling op. Eenmaal boven is van een prachtig uitzicht geen sprake. Een en al wolken om me heen. Ik kan nog net het onderzoekscentrum ontdekken. Van hieruit zijn verschillende wandeltochten mogelijk. De regenwoudvegetatie is erg mooi en divers. Mijn hoogtepunt van die dag is een klein groen kikkertje. Het diertje hangt onder een groot blad. Als hij wordt ontdekt, springt hij weg. Met zijn oranjekleurige ogen houdt hij mij goed in de smiezen.

Municipal Market
Van het natuurreservaat naar Masaya is een klein uur rijden. De twee markten van deze stad zijn een wereld van verschil. Waar de kunstmarkt op een soort veredeld Waterlooplein lijkt, is de Municipal Market een wereld op zich. Deze ligt tegen het busstation aan. Het is er een en al bedrijvigheid. De grote gele bussen, type oude Noord-Amerikaanse schoolbussen, brengen af en aan mensen en goederen. In een kakofonie aan geluiden, kleuren en impressies worden al je zintuigen optimaal geprikkeld. Honden spelen onder de stalletjes in de troep, een brommer wurmt zich al toeterend een weg tussen de mensen door. Overal radiomuziek en etensgeuren. De mensen kijken nieuwsgierig en reageren buitengewoon vriendelijk op mijn aanwezigheid.

Buiten deze stadse drukte ligt het natuurpark Masaya, waar de gelijknamige vulkaan actief is. Was een groene kikker nog het figuurlijke hoogtepunt, deze krater vormt het letterlijke laagtepunt. Uit een gigantisch gat doemen onophoudelijk dikke rookwolken. Een surrealistisch, haast apocalyptisch schouwspel. Een bepaald soort papegaaien vliegt luid krijsend door het honderden meters brede en diepe gat. Zij zijn immuun voor de giftige zwaveldampen die de actieve vulkaan uitstoot.

Op veel vlakken, zoals godsdienst, taal, cultuur en de bevolkingssamenstelling is het oosten van Nicaragua, de Cariben, compleet anders dan de rest van het land. Het heeft heel lang geduurd voordat dit stuk Atlantische kust ook daadwerkelijk onderworpen werd en bij Nicaragua ging horen. Door haar stelsel van moeilijk doordringbare moerassen, meren en rivieren, was het van oudsher een ideale plek voor Engelse, Franse en ook Hollandse piraten om zich te verschuilen. De ‘grote’ stad Bluefields is ook vernoemd naar de Hollandse piraat Abraham Blauveldt. Nog altijd wordt het gebied gebruikt door drugssmokkelaars die van Colombia naar de Verenigde Staten varen.

Visvangst
“In dit gedeelte van het land woont slechts tien procent van de bevolking. Die is onderverdeeld in Indiaanse volken als de Rama’s en de Sumu’s,” legt zakenvrouw Paula Sambola Arana (58) uit. “Daarnaast leven er veel zwarten, afstammelingen van gevluchte en gestrande slaven of geëmigreerd vanuit Jamaica. Terwijl in het westen Spaans wordt gesproken, is hier vooral Engels en Creools de voertaal.”

In de boot vanuit de grote stad Bluefield vertelt ze: “Aan deze kant van het land leeft men al generaties lang van de visvangst. De vissers van Pearl Lagoon, leveren hun vangst aan mij en ik verkoop het door op de grote markt. Het merendeel wordt vervoerd naar Managua. Maar ik exporteer ook naar de Verenigde Staten. Als je wat wil proeven, moet je maar langskomen vanavond,” nodigt ze me met een brede glimlach uit.

Na een tweetal stops bij kleine vissersgemeenschappen, doemen de kleurrijk geschilderde huizen aan de waterkant van Pearl Lagoon op. Het dorpje ligt aan de onderkant van het gelijknamige meer en telt ongeveer 5000 zielen met uiteenlopende voorkomens. Mensen met stijl haar en een zwarte huid of kroeshaar met een lichte huid. En alles ertussenin. Dell Lopez, de zwarte eigenaresse van hotel Casa Blanca vertelt hoe dat komt. “Wij zijn de mensen van de Miskito-kust. De Miskito’s zijn een vermenging van Afrikanen, Europeanen en Indianen. De laatste jaren zie je wel dat vanuit het zuiden steeds meer Spaanssprekende en Nicaraguanen met een lichte huidskleur zich hier vestigen. Dat zal in de toekomst de kleur van de bevolking wel veranderen.”

In het haventje laadt een grote Rasta het bootje uit. Langzaamaan verdwijnen de inzittenden van de boot over zandweggetjes in verschillende richtingen. Hun onderkomens variëren van houten hutjes al dan niet met golfplaten dak, tot mooie stenen bungalows. “Alle huizen hebben een deur aan de voor- en achterkant die overdag tegen elkaar openstaan om zoveel mogelijk wind door te laten. Door de hitte en de hoge luchtvochtigheid is het altijd hier erg klam,” vertelt Dariel Wiltshire Hodgson, een jongeman die met me mee loopt. Evenals hij, ben ik doorweekt van het zweet.

Eigenaardige stad
Na een paar dagen overheerlijke gamba’s gegeten te hebben die op allerlei manieren waren bereid, besluit ik om verder te trekken. Ik trek nog een dag uit om de nog verderop gelegen vissersdorpjes Orinoco en Tasbapauni aan te doen. Hier ben je echt in the middle of nowhere. Om vanuit Bluefields, Managua op de goedkope manier te bereiken, neem ik een panga, een smalle boot stroomopwaarts, de Rio Escondido op, naar het handelsstadje Rama. Na een twee uur durende race, waarbij we tot twee keer toe bijna een boomstam rammen, zit ik dan nog ruim vijf uur in de bus naar de hoofdstad.

Het oude centrum van Managua is door een verwoestende aardbeving van 1972 bijna geheel met de grond gelijk gemaakt, maar een bezoek aan de ruïne van de oude kathedraal is een must. Een belangrijke plaats; hier is in 1979 de revolutie uitgeroepen. Tegenwoordig omringen de presidentiele ambtwoning en het parlement deze plek. Het is een typische tweede- of zelfs derdewereldstad. Een snel groeiende stad dat als een magneet veel jonge werklozen aantrekt, straatkinderen en krottenwijken. Maar ook nieuwe zakenpanden en een rijke elite. Het is vooral een eigenaardige stad. In mijn reisgids lees ik, nadat ik er ben geweest, dat op de Mercado Oriental, elke zeven minuten iemand wordt beroofd! Gelukkig heb ik er niks van gemerkt.

Tussenkop = Gemoedelijk
Mijn laatste dagen besluit ik op het vulkaneneilandje Ometepe door te brengen. Het ligt middenin het meer van Nicaragua. Het eiland is niets meer en niets minder dan een actieve vulkaan en een niet-actieve vulkaan, respectievelijk Volcán Concepción en Volcán Maderas. waaromheen dorpjes zijn gebouwd. Daar waar grote delen van het land flink hebben geleden onder de burgeroorlog, is dit schitterende eiland er gevrijwaard van gebleven. De mensen zijn gemoedelijk en de natuur prachtig. Ik realiseer me hoe anders dit weer is van wat ik al gezien heb. En dat was ook heel verschillend van elkaar. Als gemeenschappelijke noemer hebben ze schoonheid van de natuur en de vriendelijkheid van de inwoners. Wat een prachtig land!

Geschiedenis
Nicaragua heeft een bewogen verleden. Sinds het land in 1821 onafhankelijk werd van Spanje barstte een strijd uit tussen de conservatieven in Granada en de liberalen in de universiteitsstad León. Omringende landen als Mexico en de Verenigde Staten bemoeiden zich er continu mee. Een aantal jaar later heeft zelfs de Amerikaanse boekanier William Walker na het veroveren van Granada, zichzelf uitgeroepen tot president van het land. De VS stationeerden er mariniers. In 1933 werd door toedoen van de VS, Somoza, de commandant van de Nationale Garde in het presidentiële zadel geholpen. Tot 1979 regeerde de steeds rijker wordende familie Somoza, Nicaragua. Het was een typisch ontwikkelingsland met een kleine rijke elite en een grote arme massa. In dat jaar werden de Somoza’s verjaagd door de guerrillabeweging het Sandinistische bevrijdingsfront (FSLN), die hun naam ontlenen aan de legendarische vrijheidsstrijder Augusto Cesar Sandino. Hij vocht in de jaren twintig en dertig van de 20ste eeuw tegen de regering en de Amerikaanse mariniers. Hun fanatisme sloeg echter te ver door en er ontstond een burgeroorlog met de contrarevolutionairen, kortweg de Contra’s, tegenover de Sandinisten. De VS steunden de contra’s eerst openlijk, later in het geheim met geld, afkomstig uit onderhandse wapenleveranties aan Iran. Het later beruchte Iran-contra schandaal. Na elf jaar oorlog en 50.000 doden kwam in 1990 een einde aan het regeren van de Sandinisten bij vrije verkiezingen. Sindsdien lijkt de politieke situatie stabiel en is het zelfs het veiligste land van Midden-Amerika om in rond te reizen.

Praktische informatie
Beste reistijd: Het land heeft twee seizoenen, het regenseizoen dat van mei tot en met oktober loopt en het droge seizoen dat duurt van november tot en met april. Gemiddeld komt de dagtemperatuur over het gehele jaar niet onder de 18 graden.

Prikken: DTP-prikken en Hepatitis A vaccinaties zijn aan te raden als je Nicaragua bezoekt. Voorts is het smeren met DEET-houdende muggenolie zeker aan de oostkust aan te randen i.v.m malaria en dengue.

Papieren: Wie Nicaragua wil bezoeken moet beschikken over een paspoort dat nog minstens zes maanden geldig is. Bij aankomst op het vliegveld, betaal je eenmalig $ 7.

Reizen: Granada bereik je het best met Martin Air vanuit San Jose de hoofdstad van Costa Rica. Vanuit Managua airport kun je dagelijks goedkope binnenlandse vluchten nemen. Van de hoofdstad naar Bluefields betaal je voor een enkeltje € 55 met Atlantic Airlines: www.atlanticairlines.com.ni. Eenmaal aangekomen in deze havenstad aan de Cariben, verplaats je je per boot. Maar ook de opvallende gele schoolbussen crossen het land rond en zijn prima in te reizen.

Handig: Nicaragua is vooral tijdens het regenseizoen erg vochtig en klam. Neem katoenen sneldrogende kleding mee, met zowel lange als korte mouwen. Aan te raden zijn sneldrogende afritsbroeken, goede lage dichte schoenen, een klamboe en anti-muggengel met DEET. Een goed adres waar je terecht kunt voor je complete tropenuitrusting zijn de buitensportzaken van Carl Denig, in Amsterdam, Den Haag en Nieuwegein.

Lezen: Moon handbooks heeft recentelijk een dik boek Nicaragua uitgegeven. ISBN: 1566914817. Heel handig en boordevol wetenswaardigheden is het dunne Nederlandse boekje Nicaragua uit de landenreeks. ISBN 9068323687.

Betalen: In Nicaragua zijn de Cordoba en de Doller beide wettige betaalmiddelen. Voor € 1 krijg je ongeveer 20 cordobas. De levensstandaard en kosten van het dagelijks leven zijn beduidend lager dan in ons land. Geld van dollars naar Cordobas wisselen kan op elke hoek van de straat. Tip: neem zoveel mogelijk kleine dollarbiljetten mee. Creditcards worden op veel plekken geaccepteerd. En pinautomaten zijn inmiddels ook in veel steden te vinden.

Terplekke tourorganisator:
Voor individuele en groepsreizen kun je heel goed terecht bij Tierra Tour. Een Nederlandse jongeman runt met zijn Nicaraguaanse vrouw dit avontuurlijke bedrijfje vanuit Granada. www.tierratour.com

Overnachten:
Granada
Restaurant/hotel El Club. De mooi gedecoreerde kamers met airco liggen tussen de € 40 en € 50. Tel: 5524245, www.elclub-nicaragua.com
Hotel Casona de los Estrada, drie sterren, ligt in het hart van de stad en heeft aangename kamers met airco en douche: € 75 / € 90, inclusief ontbijt. Tel. 5527393, fax 5527395 of e-mail gensa@munditel.com.ni Dit emailadres is beveiligd tegen spambots, u heeft javascript nodig om het te kunnen bekijken , www.casonalosestrada.com

Pearl Lagoon
Het eerste en beste hotel/ restaurant Casa Blanca wordt gerund door de Deen Svend en zijn Nica vrouw Dell. Haar garnalenschotels zijn uitmuntend! De zeven kamers zijn van prima kwaliteit en uitgerust met lekkere matrassen. De ventilatoren zijn geen overbodige luxe. Internet is hier mogelijk. Kamers inclusief vers fruit ontbijt kosten € 15. Tel. 5720508.
E-mail: casa_blanca_lp@yahoo.com Dit emailadres is beveiligd tegen spambots, u heeft javascript nodig om het te kunnen bekijken

Ometepe
Het vulkanisch eiland heeft een hele reeks aan onderkomens. Net voorbij het plaatsje Balgùe ligt La Finca Magdalena, een soort koffieplantage/lodge. Hiervandaan kun je de Maderas vulkaan beklimmen. Een paar honderd meter achter het onderkomen zijn pre-Columbiaanse petroglieven, in steen gekerfde beelden. In het dorpje Santa Domingo ligt Villa Paraiso, een drukbezocht en fraai opgezet onderkomen.

Top

Oman

OMAN, 1001 verleidingen

Een vriendin vertelde mij ooit hoe ze haar jeugd heeft doorgebracht in Oman. Haar vader werkte daar voor een olieconcern. Ik kon me bij haar verhalen geen goede voorstelling maken. Het bleef voor mij altijd die plek met veel zand en droogte. Na een reis door het land is dat beeld drastisch aangepast. Oman blijkt een heel divers land, zowel qua natuur als cultuur. De ondergaande zon in de Tiwi wadi (vallei) kleurt het omliggende gebergte roodgeel. In de schaduw van de bergtoppen liggen honderden palmbomen als een groen lint op de vruchtbare grond langs een kabbelend riviertje. Tussen deze vegetatie, op veilige afstand van het water, staan enkele onderkomens van de inwoners van de wadi. Her en der scharrelen kippen hun kostje bijeen. Aan de waterkant picknicken grote families, vrouwen aan ene kant, mannen aan de andere kant. Er wordt volop gepraat, gegeten en gelachen. Een toneelstuk op zich.

 ”Wabouieeeee!” roept de oude man hardop naar Abdul. “Wabouieeeee,” herhaalt Abdul de chauffeur schaterlachend. Even verslikt hij zich in zijn uitbundige lach, maar dan hervindt hij zich en kirt het minutenlang uit. Hij slaat met zijn handen op het stuur en schreeuwt nogmaals de woorden uit, terwijl hij de oude man, door zijn met tranen bewaterde ogen, vol ongeloof aankijkt. Mij ontgaat de grap, maar die wordt me later duidelijk, als Abdul het voorval als een soort running gag tijdens de verdere reis aanhaalt.Ikzelf blijk de oorzaak te zijn. Toen ik de oude man vanuit een moeilijke positie fotografeerde, kreeg hij de indruk dat ik onder zijn gewaad probeerde te fotograferen. Vliegensvlug trok hij zijn witte jurkachtige gewaad (disdasha) ver naar beneden, terwijl hij op een grappige toon “Wabouieeeee (godallemachtig) wat is hij allemaal van plan?” naar Abdul riep. Al lachend rijden wij de wadi uit en vervolgen onze weg. Bij de havenstad Sur aan de Golf van Oman is het, zo aan het einde van de dag, druk. Vooral het strand is een favoriete hang-out. Jongens en jongemannen spelen voetbal op het drooggevallen zand. Aan de nabij gelegen boulevard zitten een aantal oudere inwoners thee te drinken en roken een waterpijp. Voor hun neus slepen vissers hun versgevangen tonijn naar de keurmeester, die de prijs bepaalt, waarna handelaren de vissen kopen. Het dringt nu pas tot me door dat er geen enkele vrouw in dit straatbeeld voorkomt.

Vreemde constatering
Voor Abdul is het een vertrouwd beeld. “Arabische vrouwen leven meer rondom het huis. Daar vinden hun sociale contacten plaats, dat is hun domein en daar moeten wij, mannen, ons niet mee bemoeien,” vertelt hij. “En als ze geen goed leven heeft, dan kan ze gewoon scheiden hoor,” voegt hij er lachend aan toe. De bonte variëteit aan mannelijke uiterlijkheden valt mij door het gemis aan vrouwen misschien des te meer op. Abdul: “Veel zwarte Afrikanen zijn hier in de loop van de eeuwen gedwongen of vrijwillig naartoe gekomen. Sommigen zijn afstammelingen van slaven die vanuit Tanzania of het eiland Zanzibar hierheen gebracht zijn. Zij zijn in de loop der eeuwen opgegaan in de bevolking.” Sowieso is de bevolking erg gemêleerd; de oorspronkelijke Omani bestaan uit een smeltkroes van allerlei volkeren en stammen. Zo heeft een groot deel van de bevolking een Jemenitische achtergrond, opgerukt vanuit buurland Jemen in het zuiden. Een ander belangrijk deel vormen de bedoeïen, Arabische woestijnnomaden die over het Arabisch schiereiland rondtrekken. En Abduls stam, de Baluzi, komt uit de grensstreek van Iran en Pakistan en zijn hierheen getrokken.

Rijkdom
Tegenwoordig bestaat een kwart van de bevolking uit inwoners die uit Pakistan, Sri Lanka, Bangladesh en vooral uit India komen. Ze werken hier als gastarbeiders in de bouw of bekleden andere baantjes die de Omani zelf niet kunnen of willen doen. Terwijl de Sultan de Omani laat delen in de opbrengsten van de natuurlijke rijkdommen van het land ( olie en gas), gelden tal van dit soort privileges niet voor deze tweederangsburgers.Urenlang scheurt Abdul nu al over de kronkelige, onverharde weg dwars door een woestijnachtig gebied. Geen kip te bekennen, wel enkele dromedarissen. In deze grillige natuur is alleen plek voor echte overlevers. Dieren en planten hebben zich aangepast aan de bijzondere leefomstandigheden die hier vereist zijn. Overdag kan het kwik oplopen tot boven de vijftig graden, terwijl er ’s nachts nogal eens vorst aan de grond voorkomt. Gecombineerd met minimale vegetatie en lange periodes van droogte zijn dat geen ideale levensingrediënten. De omgeving blijft zich veranderen. Omhooggestuwde rotsformaties van uiteenlopende kleuren gaan over in een lava-achtig gesteente.

Zand
Na een tijdje doemen de goudgele zandduinen van Wahiba Sands op. Hier begint de woestijn en eindigt, zo op het eerste gezicht, de bewoonde wereld. De auto, een Toyota Landcruiser is sterk genoeg om zich een weg te banen door het mulle zand. Abdul drukt het gaspedaal in en de terreinwagen scheurt tegen de steile duinen op. Bovenop de honderd meter hoge duin wacht ons een schitterend uitzicht over de omgeving. Aan de ene kant is het vlak met palmen en een paar huisjes en aan de andere kant beginnen de uitgestrekte golvende heuvels van de woestijn; zo ver je kunt zien is het zand dat het beeld bepaalt. Na een flinke afdaling doemt in de verte plots een bedoeïenentent op. De bedoeïenman is net bezig zijn levensverzekering, de dromedarissen, te voeren. Op het menu staan dadels en stro. In tegenstelling tot de kameel, heeft zijn directe neef de dromedaris, maar één bult op zijn rug. De prijs voor deze dieren kan oplopen tot wel tweehonderdduizend euro. Binnenin de tent is moeder met haar dochters het eten aan het bereiden, de oudere zoons van de familie studeren in de grote stad. De tent waarin ze zitten is opgebouwd uit lagen doeken en kleden en natuurlijk ontbreekt een foto van de geliefde Sultan Qaboos bin Said niet. Prominent hangt zijn portret in het midden van de tent. Tegenwoordig is hier ook het toerisme doorgedrongen, getuige de gehaakte tasjes van fluoriderend gekleurde stof, die de bedoeïenen vervaardigen en verkopen.

Een andere wereld
Na een wilde rit door het zand terug naar de bewoonde wereld, eindigen we de dag in een groot internationaal hotel net buiten de eeuwenoude stad Nizwa. In de lobby op een aantal matrassen ligt een tiental Arabieren uit de Verenigde Arabische Emiraten, uitgedost in chique gewaden met statige tulbanden en roodwitte doeken om. Ontspannen onderuitgezakt wordt er gepraat, gelachen en thee gedronken. Ik word hartelijk uitgenodigd om een kopje met hen mee te drinken. Ze komen uit Dubai, “Het is slechts een halve dag rijden, en dan zit je in een totaal andere wereld. Al die decadentie van dure gebouwen en luxueuze winkels heb je hier gelukkig niet. Omdat het hier nog puur is kom ik hier graag,” vertelt Khaled Mubarak Al Kendi, eigenaar van een ontwerpbureau. “Dáár verdien ik mijn geld en hier geniet ik.”

Opzwepende muziek
’s Avonds in het decadente hotel, is er de keuze tussen een Russische bar/disco en een Arabische bar. Uit nieuwsgierigheid werp ik een blik in de eerstgenoemde bar. Op een podium staan twee westerse meisjes te karaoken. Op drie jonge Arabieren na, is de tent voor de rest leeg. In de Arabische tent daarentegen is het volle bak. Uit de boxen schalt snoeiharde opzwepende Arabische muziek. Joelende Arabische mannen in disdasha staan klappend op de maat rondom een soort catwalk. Hierop staan een aantal Arabische dames van Marokkaanse origine, die al heupwiegend en buikdansend de Arabische mannenharten sneller doen slaan. Er hangt een broeierig sfeertje. Voor een paar rial kopen mannen een ketting, die ze om de hals hangen van de best dansende dame. Sommige vrouwen zijn bedolven onder die kettingen. Na elk nummer, wordt degene met de meeste kettingen luidkeels door een heuse showmaster als winnares uitgeroepen en begint iedere danseres weer met nul kettingen. Aangezien het een internationaal hotel is, mag er hier wel alcohol geschonken worden. De drank vloeit rijkelijk, want zonder uitzondering, drinken alle aanwezigen bier. Mijn aangeschoten buurman vertrouwt mij toe dat hij zijn vrouw wijsmaakt ,dat hij elke donderdagavond naar een schaakclub gaat. Hoe hij die drankkegel weet te verbergen vertelt hij er niet bij.

Veemarkt
De volgende dag bevind ik mij in een totaal andere setting. Elke vrijdagochtend is er namelijk in Nizwa een grote veemarkt. Al voor zonsopkomst komen boeren van heinde en verre om hun geiten, runderen en schapen te verkopen. De dieren worden langs veehandelaren en particulieren getrokken. Een kakofonie van loeien, blaten, schreeuwen, bieden en roepen, stijgt op van het marktplein. Tussen de mannen staan ook enkele vrouwen. Hun zwarte boerka’s hangen in de vorm van een soort snavel voor hun gezicht. Als ik hen vraag of ik ze kan fotograferen schudden ze vriendelijk hun hoofd. Pssst… Een van de vrouwen uit het groepje dat ik zojuist heb aangesproken fluistert dat ze wel buiten de stadsmuur, uit het zicht van zoveel mensen, op de foto wilt. Als ik haar daar tref zegt ze: “Ik ben bang om herkent te worden, dan wordt er al snel geroddeld en schande van gesproken.” Ik vertel haar dat ik daar bekend mee ben. In Nederland is dat ook vaak de reden waarom veel moslimvrouwen niet gefotografeerd willen worden. “Maar,” zegt ze, terwijl ze als een heus model steeds andere posities aanneemt, “Ik vind op de foto gaan wel erg leuk, als de foto’s maar niet in Oman gepubliceerd worden.”

Tradities
Aan het einde van de reis komen we aan in de hoofdstad Muscat. Op bevel van de Sultan is hier geen enkel gebouw, met uitzondering van moskeeën, hoger dan vier etages. Omdat ook de huizen in oude stijl worden gebouwd en allemaal een lichte kleur hebben, maakt dat de stad overzichtelijk. De hoofdstad is extreem schoon en veilig, zowel voor inwoners als voor toeristen, ongeacht je geslacht. In het land heersen de wetten van de islamitische Sharia in combinatie met de normen, waarden en tradities van Oman. De Omani leven daar ook echt naar. Ze hebben respecteren de medemens en zullen een vreemde altijd vriendelijk bejegenen. Bij het binnenrijden van de stad torenen de minaretten van de Grote Moskee boven de laagbouw uit. Deze vrij nieuwe moskee is een uniek bouwwerk, vervaardigd uit de mooiste materialen van over de hele wereld. Het vrijdagavondgebed trekt wekelijks duizenden Omani. Als ongelovige mag ik helaas de moskee niet in, maar de buitenkant, met zijn treden van spiegelend marmer en de immense glazen koepel zijn al zo indrukwekkend, dat ik me een voorstelling kan maken van een fabuleus prachtig interieur. Op de dag van vertrek staat dolfijnen spotten op het programma. Na een half uur varen zitten we plotseling middenin een school van honderden dolfijnen. Ze springen vlak naast onze boot hoog het water uit en maken salto’s voor onze neus, een adembenemend afscheid.

Toerisme
Oman is een relatief jonge toeristische bestemming. Sinds de in het Westen gestudeerde Sultan Qaboos Bin Said er op 23 juli 1970 de macht kreeg, heeft hij land uit haar isolement gehaald en mondjesmaat opengesteld voor de buitenwereld, met behoud van de eigen cultuur. De meeste mannen en jongens dragen traditionele kledij, terwijl de vrouwen veelal gesluierd rondlopen, al dan niet in een boerka. Sommige jongeren dragen T-shirt en spijkerbroek, maar zij zijn in de minderheid.De Sultan is alleenheerser. Hij regeert met resolute, doch rechtvaardige hand. Mede door de positieve berichtgeving van de Westerse medewerkers van olieconcerns, is het land zich gaandeweg gaan bezighouden met toerisme. Zo is de afgelopen tien jaar begonnen met de ontwikkeling van een toeristische infrastructuur. Hierbij wordt het behoud van het authentieke karakter als uitgangspunt genomen. Ook het respect voor de bijzondere natuur wordt in acht genomen. Het land beschikt inmiddels over een uitstekend wegennet en faciliteiten naar westerse maatstaven, zonder het karakter van de bestemming te ondermijnen. Dat het land investeert in toerisme heeft vooral te maken met het feit dat de olievoorraden binnen twintig jaar uitgeput zullen zijn. Daarom mikt men nu op toeristen uit een hoog segment, mensen met oog en respect voor cultuur, én met een gevulde portemonnee.

Praktische informatie:
Reizen:
Sinds kort vliegt Martinair driemaal per week rechtstreeks op Muscat. Met Golf Air kunt u dagelijks naar Muscat vliegen. Prijzen schommelen rond de € 700. In het land zelf is een eigen auto een aanrader, gezien de grote afstanden en het beperkte aanbod van openbaar vervoer. Liften is een tijdrovende, maar wel avontuurlijke manier van vervoeren.

Slapen: In de grote steden vind je bekende hotelketens. Buiten de steden is wild kamperen een echte aanrader. Slapen onder de sterrenhemel in de woestijn is een bijzondere ervaring. www.haffa.house.com

Planning: Oman kent over het algemeen hoge temperaturen. De meest aangename maanden zijn in de winter, van november tot en met maart. In de maanden juni t/m augustus kan het kwik oplopen tot boven de veertig graden. Dat zijn de maanden dat de Omani elders verkoeling zoeken.

Visum: Op de luchthaven van Muscat kunt u een visum kopen.

Prikken: Check voor actuele informatie: www.dereisdokter.nl, www.travelclinic.com, Yoff

Nuttige sites: www.visitoman.nl, www.zaharatours.com

Handig: Zowel mannen als vrouwen dienen rekening te houden met de kledingvoorschriften van het land. Neem dunne, niet doorschijnende, sneldrogende, katoenen kleding met lange mouwen en lange pijpen mee. Slippers en sandalen zijn uiterst geschikt in de hitte. Een goed adres waar je terecht kunt voor een complete uitrusting zijn de buitensportzaken van Carl Denig in Amsterdam, Den Haag en Nieuwegein.

Geld: Creditcard en ook pinpassen zijn in de grote steden bruikbaar. Zorg ook dat u voldoende cash op zak heeft.

Top

Madagaskar

Wereldplek: Madagaskar, een wereld op zich

Achteraf lijkt het wel een beetje op een lange survivaltocht. Een vliegtuig dat naast de landingsbaan zit en eentje met een lekke band. Of wat te denken van een verwoestende cycloon, berovingen en giftige dieren. Twee weken Madagaskar hebben een onuitwisbare indruk op me achtergelaten!

Eenmaal onderweg druk ik mijn neus tegen het raampje. Het weer verandert naarmate de vlucht verstrijkt. Ik sla mijn reisgids er eens op na en lees tot mijn ontsteltenis dat deze periode bekend staat als het cyclonenseizoen! ‘Lekker voorbereid’, bedenk ik me. Na een paar uur vliegen, doemt het immense eiland Madagaskar op. Het is ruim zeventien keer groter dan Nederland. Door haar endemische flora en fauna, ook wel een wereld op zich genoemd. De lucht buiten wordt alsmaar donkerder, deels omdat de avond zijn intrede doet, deels omdat we een depressie invliegen. Plotseling schieten er bliksemschichten om ons heen en schudt het vliegtuig. Tot mijn opluchting ontdek ik lichtjes aan de grond. Dat moet de hoofdstad Antananarivo, kortweg Tana zijn. Ook zie ik de landingsbaan, maar die dreigen we tot mijn schrik te missen. Op het laatste moment merkt de piloot dat ook en trekt weer op. Ik doe een schietgebedje. Na een extra rondje boven de stad, landen we uiteindelijk veilig. Met trillende benen stap ik even later de stortregen in. Na het bemachtigen van een visum en Malagasy Francs, hou ik een opdringerige taxichauffeur de naam Hotel Lambert voor.

Straatarm
Later die avond besluit ik op zoek te gaan naar eten. Ik sla een steil keienweggetje in. Het is donker en stil. Her en der schieten ratten weg. De reisgidsen overdrijven niet als ze schrijven dat ’s nachts de straten van Tana uitgestorven zijn. In haar boek ‘Onder de kafferboom’  schrijft Mariëtte Visser over Tana in de nacht: ‘Geen groot risico op een gewelddadige beroving, maar een kans van honderd procent’. In mijn donkere regenpak hou ik de vaart erin en kijk voortdurend achterom.

De weg gaat over in een hobbelig zandpad met ondergelopen kuilen. Na een tijdje stap ik de enige tent binnen waar mensen eten en drinken. In het felle tl-licht voel ik de blikken van de aanwezige personen. Ik neem plaats tussen een groepje kaartende jongeren en discussiërende mannen en neem hetzelfde wat mijn buurmannen drinken. ‘Biftec, well done please’, hoor ik me bestellen. De serveerster fronst haar wenkbrauwen en overlegt even met de kok. Ruim een uur later komt ze terug met een verkoold stuk ‘iets’ dat ze als Biftec aanduidt en voor vlees moet doorgaan. De jongens naast me grinniken. ‘Next time order fish and rice’, raadt een van hen aan. Hij heet Bob en spreekt een beetje Engels, iets wat een unicum is hier. Bob is 28 jaar en heeft een bedrijfje dat rieten tassen vervaardigt. Na een leuke conversatie vraag ik hem bij het weggaan om morgen mijn gids te zijn.

De volgende dag word ik met zonsopkomst wakker door de bedrijvigheid in de straten. Het krioelt van de mensen. Bob zit reeds op de stoep te wachten en we lopen straatjes in en trappen op, richting het centrum. Door driekwart eeuw Franse kolonisatie bepalen oude Deux Cheveaux en Renaultjes hier het autopark. Naast vervallen houten huisjes staan koloniale panden. Vanaf Place de L’ Indépendance geniet ik van het schitterende zicht over de stad. De enorme lange trap, waar duizenden mensen lopen, vormt een prachtig schouwspel. Terwijl ik geniet, stuurt mijn gids bedelende straatkinderen weg. Madagaskar is straatarm en dat wordt op verschillende manieren duidelijk.

Sloppenwijken

Na het zoveelste vruchteloze bezoek aan een bank, schiet bij mij de stress erin. Naast Visa-credit card wordt geen enkele andere kaart geaccepteerd. De 600 dollar die ik bij me heb is nooit genoeg. Uiteindelijk geeft het Nederlands consulaat me advies waar ik geld kan laten overschrijven, via Western Union. Dat blijkt mijn redding.

Bob nodigt mij uit om bij hem thuis te komen eten. Hij blijkt getrouwd en heeft twee kinderen. We nemen een taxi naar een doorsnee buitenwijk, lees sloppenwijk. Ik word hartelijk ontvangen in zijn kleine huisje waar naast zijn gezin, ook schoonmoeder, zus met kindje en zijn schoonzus wonen. Bob is de kostwinnaar van de familie. Hij showt met trots zijn zelfgemaakte tassen. Ondanks het open riool voor zijn deur, komt Bob er met zijn stenen huis goed van af. Zijn buren leven veelal in golfplaten hutjes.

Op dag drie van mijn verblijf reis ik af naar Antsirabe, een rustiek stadje 200 kilometer ten zuiden van Tana, in het centrale hooglandgebied. Bob reist met me mee. Hij is nog nooit de hoofdstad uitgeweest en is erg enthousiast. In een minibusje racen we door het bergachtige landschap. Eenmaal in Antsirabe aangekomen, laten we ons door een pousse-pousse, een soort riksja, naar het hotel rijden.

Jeu de Boules
Een dag later huren we mountainbikes en nemen voldoende proviand mee. Al fietsend richting Talatakely worden we vriendelijk begroet. Het wegdek is redelijk en dus is er tijd om rond te kijken. De aaneengesloten rijstvelden waarin kinderen op een soort guppies vissen, worden zo nu en dan onderbroken door grasland met grazende runderen. Af en toe komen we langs een gehucht, met steevast een kerkje. Dat de Franse invloeden ver reiken, valt wel op te maken uit Jeu des Boules spelende mannen. De dorpjes stralen armoede en tegelijkertijd gemoedelijkheid uit. We halen een aantal huifkarren in, die worden getrokken door grote ossen, Zeboes genaamd. Onze route buigt zich van de gewone weg af, over zandweggetjes. Bovenop de heuvel bij het vulkanische Lac Tritiva besluiten we te lunchen. Het schitterend turkooizen meer is omringd door steile rotswanden met groene vegetatie; prachtig!

Waar de meeste toeristen hiervandaan zuidwaarts reizen, besluit ik naar het noorden te gaan en neem afscheid van Bob. Via Tana reis ik door naar Toamasina, de stad van de oostkust, ook wel Tamatave genaamd. De acht uur durende busreis is een regelrechte ramp. Niet alleen is de weg een aaneenschakeling van diepe gaten, ook reizen er twee jonge Fransmannen mee. Het blijken discriminerende, alcoholdrinkende en kettingrokende idioten te zijn. Binnen een half uur heb ik schreeuwende ruzie met ze en word daarin gesteund door mijn medepassagiers. De rest van de rit voeren we een koude oorlog.

Laat in de avond komen we aan in dé havenstad Toamasina. Het is een relaxte stad met goede hotels en restaurants en brede boulevards. Ik betrek een hotelkamer met airco en doe me tegoed aan een excellent diner; spaghetti bolognese. De reden waarom ik graag naar deze stad wilde is het Canal des Pangalanes, een aaneenschakeling van rivieren, meren en kanalen dat zich uitstrekt over 600 kilometer langs de kust.

De volgende ochtend zit ik al vroeg in een boot en vaar over Les Canals. Waar eerst olieraffinaderijen en andere zware industrie het beeld bepalen, verandert het landschap al snel in veel groen. De vele waterplanten waarmee de waterwegen soms helemaal zijn bedekt, worden door de boot opzij geduwd. Zo nu en dan houdt de schipper halt om de schroef van planten te ontdoen. We varen langs houten vlotten met rieten hutjes erop, het zijn een soort primitieve woonbootjes. We komen langs vissers die vanuit hun kano in de onbegroeide gedeeltes hun netten werpen. Bij elke nederzetting zie ik in het water spelende kinderen en vrouwen die kleren wassen.

Later die dag slenter ik richting het strand. Hoewel er genoeg mensen zwemmen, laat ik een duik in de oceaan aan me voorbij gaan. Mijn reisgids raadt het ten strengste af gezien de vervuiling en talloze haaien. Verderop, op de lokale markt, worden dan ook volop haaientanden verkocht. Ook kun je er een scala aan inheemse beschermde dieren en planten kopen. Van zeldzame vlinders en slangen tot grote insecten en koraal. Een marktkoopman verontschuldigt zich als hij mijn ontstelde blik ziet: “Mijn kinderen moeten ook eten”, zegt hij.

Alarm! Slang!
Ik besluit naar Antsiranana, beter bekend als Diego Suarez, te vliegen. Het noorden van het eiland is qua inwoners de meest gemengde regio. Hier woont een grote moslimgemeenschap. Ook zijn er afstammelingen van Afrikaanse slaven, Arabische en Indische handelaren en Franse kolonisten. Die hebben zich gemixt met de lokale Antakàrana-stam. Aan de hoofdstraat, Rue Colbert, stap ik een restaurantje binnen. Het wordt gerund door een oude Fransman. Als ik me tegoed doe aan heerlijke garnalen, schuift er een mooi jong meisje, amper zestien, aan. Ze vraagt of ze wat van me mag drinken. Ik kijk haar vragend aan en dan valt me op hoe uitdagend ze gekleed is. Als ik haar afwimpel, gaat ze bij mijn dikke Franse buurmannen van in de vijftig zitten. Even later vertrek ze met een van hen. “Prostitutie vanaf 18 jaar is hier legaal, maar er zijn genoeg jongere meisjes te vinden,” gniffelt de oude Fransman bij het afrekenen. Ik kijk hem verafschuwend aan en vertrek.

De volgende ochtend ga ik naar het nationaal park Montagne D’Ambre. Normaliter heb ik altijd water bij me, maar deze dag besluit ik een fles in het nabij gelegen dorpje te kopen. Erg dom, want nergens is iets drinkbaars te koop. Op weg naar de entree van het park sta ik plotseling aan de grond genageld. Mijn hart klopt in mijn keel. Ergens signaleer ik gevaar. Zoveel is duidelijk, maar waar? Ogenschijnlijk lijkt alles normaal. Maar dan zie ik het. Voor me, op zo’n vijf meter afstand, ligt een grote zwartgele slang. Mijn onderbewuste alarmsysteem heeft me tijdig gewaarschuwd.

Bij de ingang van het park huur ik een gids en samen lopen we door het tropische regenwoud. Hoog boven ons springen Lemuren, de halfapen waarom het eiland bekend staat, van boom naar boom. Ik vang af en toe een glimp van ze op. Van heel dichtbij kan ik wel de kleinste kameleon ter wereld bekijken (2 cm) en een gifgroene gekko, de enige soort die overdag actief is. Na een tijdje glibberen over een paadje, houdt Angelique, mijn gids, plots halt. Hij graait in de struiken en haalt er een donkere Boa uit. De prachtige slang kronkelt, maar verzet zich niet hevig. Zijn huid voelt klam. Door de drukkende hitte, in combinatie met een tekort aan water en de zware wandeling, moet ik de tocht helaas eerder beëindigen.

Bij terugkomst in Diego regelt mijn hoteleigenaar een afspraak met de imposante Eugene Goulam, de kameleonexpert van Madagaskar. We spreken af dat hij me de komende dag op kameleontocht meeneemt. Op het eiland leven ruim 70 verschillende soorten van die bijzondere dieren en Goulam staat nationaal, maar vooral internationaal bekend om zijn kennis over deze hagedissen.

Kameleontocht
Samen met zijn chauffeur rijden we richting het Ankarana natuurreservaat, 100 kilometer ten zuidwesten van Diego. Onderweg stoppen we een paar keer. Vanuit het niets haalt Goulam steeds weer kameleons uit de bomen. Ik zie er geen, hoe goed ik ook speur. Tijdens een zware en steile klim, het Tsingy-rotsformatie op, -een zeer scherp en puntig soort kalksteen-, weet Goulam me op verschillende andere dieren en uitzonderlijke planten te wijzen.

In de middag komen we aan bij het reservaat. Terwijl de chauffeur het kampement opslaat, lopen Goulam en ik naar de Grottes des Chauves-Souris. Het begint te onweren. Door de nattigheid glijd ik alle kanten uit. We lopen een heuvel af tot aan de entree van de grot. Deze is zeker dertig meter hoog en honderd breed. Gewapend met een zaklantaarn gaan we op zoek naar de stalactieten en stalagmieten. Het pad wordt steeds smaller en nauwer. Op een gegeven moment zegt Goulam: “Doe je lamp eens uit”. Het is pikzwart. Geen enkel licht komt tot hier. Vleermuizen scheren luid piepend langs ons heen. De grot trilt door het hevige onweer. Voor mij is het mooi geweest. Ik wil eruit. Buiten de grot waarschuwt Goulam: “Pas op voor schorpioenen, die gaan kruipen zodra het regent.” Ik let extra goed op waar ik mijn handen plaats. Die avond doen we ons tegoed aan een pasta en zelfgestookte rum met vanillesmaak.

Mijn laatste bestemming wordt Nosy Be, een eiland aan de noordkust. Het schijnt een goed duikgebied te zijn. Vanaf het vaste land is het een uur varen met een speedboot. Halverwege de tocht begint het echter te stormen. Hoge golven slaan binnen. Moeders met kinderen zijn in totale paniek. Ik richt me op de horizon en kijk waar ik naartoe kan zwemmen zodra we omslaan. Op wonderbaarlijke wijze bereiken we ongeschonden de overkant. De storm blijkt de voorbode voor wat komen gaat; cycloon Gafilo. Vanaf middernacht stormt het hevig. Veertig uur lang zit ik in mijn hutje opgesloten, zonder elektriciteit, met alleen een zakje pinda’s en wat water. Wel doe ik een poging naar buiten te gaan. Regen, zand, takken en zelfs golfplaten vliegen door de lucht.  

Op dag drie is op Nosy Be de rust teruggekeerd. Ik besluit Hell-Ville, de grote stad van het eilandje te bezichtigen. De schade die de storm heeft aangericht is groot. Gafilo blijkt de heftigste cycloon die Madagaskar de afgelopen 20 jaar heeft aangedaan. Vierenzeventig mensen zijn omgekomen.

Met veel vertraging vertrek ik naar Tana, met als tussenstop Diego. Eenmaal in Diego blijkt het vliegtuig een lekke band te hebben. Uiteindelijk wordt er ’s nachts een reserveband overgevlogen en zit ik de volgende ochtend in het vliegtuig. We worden nog even opgehouden door een paar Zeboes die op de startbaan lopen, maar uiteindelijk vertrekken we. Ruim twee uur te laat arriveer ik in Tana. Maar daar staat mijn verbindingsvlucht naar Zuid-Afrika keurig op mij te wachten.

Praktische info

Als je Madagaskar wilt aandoen is het handig om een georganiserde reis te maken. Het is tijdrovend om op eigen houtje rond te reizen. Ook is er een taalbarriere, hoewel er doorgaans altijd mensen zijn die Frans spreken. Tijdens het regenseizoen, van november tot en met april zijn bepaalde wegen onggegaanbaar.

Vanuit Parijs, alsmede vanuit Johanessburg, Zuid-Afrika en Nairobi, Kenia, gaan meerdere vluchten per week. Om tijd te besparen zijn binnenlandse vluchten met Air Madagascar een aanrader, alsmede een belevenis.

Tegenwoordig is pinnen op zeer beperkte schaal mogelijk, dus neem voldoende cash mee en een Visa credticard.

Handig adressen:

Het nationaal toeristenbureau in Tana: 3 Rue Elysee Ravelontsalama.   Toen ik er langsging water ze echter gesloten. Kijk op op de Franstalige site: www.madagascar-tourisme.com

Op Madagaskar zit een prima touroperator Boogie Pilgrim: www.boogie-pilgrim.net

De Lonely Planet heeft een Madagaskar editie met handige adressen en onderkomens.

In de meeste steden zijn kleine ecotoerisme kantoren en kun je een- of meerdaagse uitstapjes maken.

Top

Zuid Afrika

van boycotland naar favoriete reisbestemming

Tot vijftien jaar geleden was het not done om naar Zuid-Afrika te reizen. Boycot de Apartheid was het credo. Sinds de afschaffing ervan kent bijna iedereen wel iemand die het land heeft bezocht of gaat bezoeken. Zuid-Afrika is hot en het percentage Nederlanders dat een reis  boekt naar het land neemt ieder jaar toe. Voor mijn werk als journalist en fotograaf heb ik veel gereisd in Zuid-Afrika. Na de eerste keer was ik meteen verkocht en moest en zou ik terug gaan. Nu ben ik er voor de vijfde keer, samen met mijn vriendin om haar mijn favoriete plekken van het land te laten zien.

“Wat maakt het land dan zo speciaal?”, wilde Jessica, mijn vriendin weten. “Ik kan het niet uitleggen”, zei ik dan. “Je moet het ervaren, je moet het voelen.” Net als bij haar, was het bij mij vroeger nooit opgekomen om naar Zuid-Afrika te reizen. Azië en Latijns-Amerika, dat waren de continenten die me aantrokken. Afrika stond voor mij gelijk aan armoede, oorlog en aids. Waarom zou je die ellende opzoeken? Daar kwam verandering in toen twee vriendinnen van mijn studie Journalistiek aan een uitwisselingsprogramma meededen met studenten van de Rhodes University in Grahamstown in Zuid-Afrika. Ze wisten me over te halen om mee te gaan. Samen beleefden wij er de tijd van ons leven.

Ongelijkheid is nog altijd groot
Nu ben ik terug met Jessica. Zij heeft genoeg verhalen gehoord over hoe vriendelijk de bevolking is en hoe overweldigend de natuur. Nu wil ze het zelf ondervinden. Na onze elf uur durende vlucht, komen we ’s morgens vroeg aan in Johannesburg. We zijn vermoeid, maar de temperatuur maakt veel goed. Terwijl op Schiphol winterse buien vallen, is het hier aan de andere kant van de evenaar, hartje zomer! We rijden oostwaarts in onze huurauto. Terwijl ik me concentreer op het links rijden, merkt Jessica op hoe anders het land is; meer ontwikkelt en ruimer dan ze had gedacht en veel meer op het westen lijkend. Maar ook totaal verschillend; de geuren en kleuren zijn anders voor haar. En als we de stad uitrijden verbaast ze zich over de hutjes in de arme wijken, de townships, waarin het merendeel van de bevolking woont.

Sinds de apartheid is afgeschaft, gaat het gestaag beter met de leefomstandigheden van de gemiddelde Zuid-Afrikaan. Het land is aan de ene kant een eerste wereldland en aan de andere kant een derdewereldland. De ongelijkheid is nog altijd erg groot. De vijf miljoen blanke inwoners hebben grotendeels hun banen en geld behouden en wonen veelal in ongekende weelde. De ongeveer veertig miljoen zwarte inwoners en de coloured people (in het land leven ongeveer twee miljoen mensen met een gemixte achtergrond, zij worden coloured genoemd) leven van oudsher in bescheiden onderkomens, soms met uitsluitend golfplaat als bouwmateriaal in aparte wijken. Gelukkig is de zwarte midden- en bovenklasse in opkomst. Zij zijn jong, getalenteerd en geschoold en geven het land een nieuwe impuls.

Aids
Een ander zeer groot probleem dan armoede is aids. Geschat wordt dat ongeveer een kwart van de bevolking besmet is. Vooral onder de arme zwarte bevolking vind je veel slachtoffers. Toch zijn er ook positieve ontwikkelingen voor de Zuid-Afrikanen. De economische groei zet bijvoorbeeld al jaren onverminderd hard door. Eén van de belangrijkste economische pijlers van het land is het toerisme en dat staat dan ook op een erg hoog niveau. Van de Kalahari-woestijn in het noordwesten, tot de sub-tropen in het oosten,  zijn er prima faciliteiten tegen betaalbare prijzen. Het land is niet te vergelijken met andere landen op het Afrikaanse continent, die lang niet zo ontwikkelt zijn. Door het zogenaamde ecotoerisme profiteren de arme inwoners ook een stukje mee.

Overweldigende flora en fauna
Terug op de autoweg trekt een heuvelachtige landschap aan ons voorbij. Tegen het einde van de middag staan we aan de hoofdingang van het wereldberoemde Krugerpark. Wilde dieren en Afrika zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het gevoel dat je krijgt als je oog en oog staat met een leeuw of olifant is onbeschrijfelijk. Dit moet Jessica zelf ervaren. Het natuurpark is qua oppervlakte groter dan Nederland en biedt onderdak aan een overweldigende variëteit aan flora en fauna, waaronder de big five; de leeuw, de olifant, het luipaard, de buffel en de neushoorn. Het is er niet zo ruig en avontuurlijk als wildparken in buurlanden Botswana en Zimbabwe, maar wel erg toegankelijk en zeer divers. Bij binnenkomst stuiten we meteen op een grote hoeveelheid impala’s. Prachtige ranke dieren, zonder een grammetje vet, met grote reebruine ogen. Ze zijn niet bang voor auto’s, maar zijn wel continu alert. Ze staan namelijk op het menu van menig roofdier. Voor Jessica kan de dag niet meer stuk als we even later middenin een groep zebra’s terecht komen.

Safari

De bungalow in mijn favoriete restcamp Lower Sabie hebben we gelukkig ruim van te voren gereserveerd, want alles blijkt volgeboekt te zijn. Elk kamp is van alle gemakken voorzien. We kopen in de kampwinkel ons brandhout en eten. Als de avond zijn intrede doet en de braai, de Afrikaanse barbecue, het vlees en de groenten roostert, ontkurken wij een flesje vonkelwijn,  (Zuid-Afrikaanse champagne) en genieten van het snerpen van de krekels.

Na een korte nacht worden we bij zonsopgang, wakker door de bedrijvigheid op het kamp. Op safari is het motto. Sommigen toeristen zitten met z’n twintigen in hoge open trucks, anderen zijn met een eigen terreinwagen; iedereen wil die dag dieren spotten. Net als wij. Meteen buiten het hek is het raak. Een moeder hyena met jong staat rustig langs de kant van de weg. Auto’s drommen zich samen. De talloze flitsen en geklik van de camera’s lijken de dieren niet te deren, maar na een paar minuten houden ze het voor gezien en Verdwijnen in het hoge gras.

Wildcoast
Aan het einde van de dag houden we een tijdje halt bij een waterhole, een drinkplaats voor de dieren. Het is dé perfecte plek om allerlei wild te zien. De eerste neushoorns dienen zich aan. De imposante grijze dieren drinken rustig wat water. Wij houden ons adem in. ‘Wat prachtig’, fluistert Jessica in mijn oor.

Als we terugrijden wordt de weg plotseling versperd door een grote mannetjes olifant. Deze stier lijkt niet van plan ons voorbij te laten en rustig wachten we af wat hij doet. Als hij op een gegeven moment genoeg van ons heeft, loopt hij met grote passen en wapperende oren op ons af. Met grote schrik en bonkend hart zetten wij de auto in zijn achteruit. Gelukkig is dat genoeg om de olifant zijn aanvalspoging te doen staken. Hij is de baas.

Na dagen van dieren spotten is het tijd om zuidwaarts te rijden en te relaxen in mijn favoriete regio; de Wildcoast. Deze strook kust, een paar honderd kilometer ten zuiden van Durban, maakt tegenwoordig onderdeel uit van de Oostkaapprovincie. Ten tijde van de Apartheid heette deze regio de Transkei en was het aangesteld als zogenaamd thuisland. Een gebied waarbinnen de arme zwarte bevolking moest wonen. Het werd een bolwerk van de verzetsbeweging ANC, waar blanken zich niet durfden te tonen. Ook oud-president en Nobelprijswinnaar Nelson Mandela is in deze streek geboren. In Umtata, de hoofdstad van de voormalige Transkei, heeft hij zijn eigen museum staan.

Adembenemend mooie kust
Terwijl het toerisme in andere delen van het land aardig ontwikkelt is, staat zij in de Wildcoast nog in kinderschoenen. Beetje bij beetje ontdekken avontuurlijke reizigers het gebied. De adembenemend mooie kust met groene heuvels, steile kliffen en lege strandjes, vormen een waar paradijs. Port St Johns en Coffeebay zijn de bekendste dorpjes waar vooral jonge rugzaktoeristen, de backpackers neerstrijken. De warme Indische Oceaan is voor surfers een ideale plek. Maar ook de dagga, de lokale wiet, mist zijn aantrekkingskracht op hen niet.

Wij rijden door naar The Kraal Backpacker, gerund door de levenslustige Dillon Harvey. Onderweg ontsnappen we ternauwernood aan een aanrijding met een geit die op het laatste moment beslist de andere kant op te stuiven. We missen het dier op een haar. Dan is het zoeken naar de juiste  afslag. Gelukkig ben ik hier al een aantal malen geweest. De gele, roze en vooral turkooizen Afrikaanse hutjes, rondavals genaamd, staan zo ver het oog reikt, her en der verspreid in het glooiende heuvelland. Daartussen loopt vee los, vooral runderen, ezels en geiten. Niet echt veel aanknopingspunten dus.

Eenmaal van de grote weg af, is het nog twee uur hobbelen over zandweggetjes met diepe kuilen. Kinderen schreeuwen ‘sweeeeeeets!’ en rennen op ons af of zwaaien verlegen van een afstandje. Geheel in stijl met de omgeving, bestaat The Kraal uit speciale hutjes van de lokale stam. Het vriendelijke onderkomen staat bovenop een heuvel. Hiervandaan heb je een prachtig uitzicht over de oceaan en zie je ’s morgens hele groepen dolfijnen voorbij zwemmen. The Kraal heeft ook geen stromend water of elektriciteit. Als de avond valt en een sterrenformatie het Zuiderkruis vormt, voelen wij ons voor de eerste keer pas echt in Afrika.

Ecotoerisme
In de afgelopen jaren heb ik The Kraal opgebouwd zien worden. Voor mij is The Kraal het schoolvoorbeeld van ecotoerisme. Van één simpel hutje tot een volwassen plek met kampeergelegenheid en een schuur. Dillon verschaft werk. Belangrijk werk. Maar hij doet nog veel meer voor de lokale gemeenschap. Zo heeft hij een schooltje gebouwd voor de kinderen waar jonge Westerse reizigers Engelse les geven. Ook voorziet hij de kinderen van vitamines en een ontwormingskuur. Daarnaast heeft hij twee voetbalteams opgericht en leidt hij jongeren op als gids en paardenverzorgers. Wij besluiten te relaxen aan het strand. Op derde dag rijden te paard over het strand en rijden via de dorpjes die langs de kust liggen naar een verroest scheepswrak. Een adembenemende tocht door een rivier en langs de oceaan. Er hangt continu een zilte zeelucht om ons heen.

Kaapstad
Na een paar dagen gaan we verder, maar niet voordat we een flinke donatie in de pot die ten goede komt aan de lokale gemeenschap te hebben gedaan. Kaapstad staat voor de boeg. Via mijn oude studentenstadje Grahamstown zakken we af en rijden westwaarts. We overnachten nog een paar dagen in het wonderschone Tsitsikammapark aan het einde van de Tuinroute. We rijden langs de kust door deze meest bekende toeristenroute en houden af en toe halt in mooie dorpjes als Knysna en Wilderness. In Plettenbergbaai, zien we een aantal walvissen! Uiteindelijk komen we, met ruim 3000 kilometer op de teller, aan in één van de mooiste steden ter wereld, Kaapstad. Gesticht in 1652 door de Hollander Jan van Riebeeck. De imposante Tafelberg, het moderne winkelcentrum Waterfront, Robbeneiland; het eiland voor de kust waar Nelson Mandela twintig jaar gevangen heeft gezeten, de gezellige Langstraat met haar Victoriaanse panden, alles bij elkaar is het een zeer boeiende stad. En rond de stad begint één van de beste wijnstreken ter wereld. Kaapstad zelf ligt aan de rand van het Kaapse schiereiland dat eindigt in Kaap de Goede Hoop, een prachtig natuurreservaat.

Botanische tuinen
Jessica en ik doen ons te goed aan het heerlijke eten. We eten in uitmuntende restaurants, vaak in een fantastische ambiance. In de hippe wijk Tamboerskloof runnen Nederlanders een fantastisch restaurant Manolo, chique maar modern. In een Japans restaurant staat middenin het restaurant een complete boom waaronder een dj zijn plaatjes ten gehore brengt. We eten veel verse vis, kreeft en heerlijk fruit, maar ook een carpaccio van springbokgazelle en veel struisvogelvlees. Zuid-Afrika is toch vooral een land van heerlijk vlees, vers vis en fruit met uitstekende wijnen.
We laten ons door een taxi afzetten in Kirstenbosch, de wereldberoemde botanische tuinen. Gewapend met picknickmand, vondelwijn en een kleed gaan we naar het openluchtconcert dat hier elke zondagmiddag in de zomer gehouden wordt. Een schitterende locatie midden tussen de planten. De Capetonians, de inwoners van Kaapstad, komen hier met duizenden naar toe. Gewapend met stoelen, tafeltjes en wijn is het een echte happening.
Op onze laatste dag rijden we met de trein naar de pinguïnkolonie in Simon’s Town. Tegen het einde van de dag rijden we naar het ‘Beverly Hills’ van Kaapstad, Campsbay, aan de andere kant van de Tafelberg. Met de zonsondergang voor ons in de Atlantische oceaan, blikken we terug op een onvergetelijke vakantie. Jessica  begrijpt nu helemaal waarom ik mijn hart verpand heb aan Zuid-Afrika.

De Regenboognatie
De regenboognatie, zo wordt het land, door zijn enorme diversiteit aan mensen, ook wel genoemd. Er zijn namelijk veel verschillende bevolkingsgroepen. De blanken zijn onderverdeelt in twee groepen. Aan de ene kant heb je de blanke boeren, de Afrikaners genaamd, die afstammen van Nederlanders, Duitsers en Fransen. Ze zijn vaak zeer conservatief en religieus. De vele Nederlandse plaatsnamen en woorden komen uit hun voort. Onder de ´boerenregering´ werd in 1948 de Apartheid ingesteld, met alle nare gevolgen van dien.
Aan de andere kant zijn er de blanke Engelstaligen. Naast de boeren waren zij tijdens de Apartheid ook zogenaamde eersterangsburgers. Tweederangs waren de Indiërs en Coloured. En derderangs de zwarte bevolking. Onder de zwarten zijn de grootste stammen, de Xhosa, de Zulu en de Ndebele. Daarnaast zijn nog een hoop kleinere zwarte stammen met ook elk hun eigen taal en cultuur.
Bovendien zijn er de kleurlingen; de coloured, een mix van zwarten en blanken, die min of meer een eigen groep vormen. In en rond Durban wonen ook nog eens honderdduizenden Indiërs en in het noordwesten komen afstammelingen voor van de oorspronkelijke inwoners, de San; ook wel bosjesmannen genoemd en de Khoikhoi of Hottentot.

In de geschiedenis zijn er veel oorlogen geweest tussen de verschillende groepen, bekend zijn  de veldslagen van Shaka Zulu en de Anglo-Boeren oorlogen van rond 1900, waarbij de Britten het concept concentratiekamp bedachten.
Er worden officieel elf verschillende talen in Zuid-Afrika gesproken, waarbij het Engels en Xhosa, een taal met de vreemde klikklanken, het meest gesproken worden. Ondanks dat het Afrikaans, de taal van de Apartheid is, wordt het nog veel gesproken, met name door blanken boeren en de kleurlingen rondom Kaapstad.
Ten tijde van de Apartheid leefde zwart en blank geheel gescheiden. Tegenwoordig is er nog altijd een grote segregatie tussen arm en rijk en zwart en blank. Gelukkig zien de hedendaagse politici in dat het land alleen door met elkaar samen te leven een toekomst heeft. Na de roerige machtsoverdracht waarbij duizenden mensen, vooral in townships het leven lieten, is het land het laatste decennium in rustiger vaarwater terecht gekomen. De verzoeningspolitiek van de laatste blanke president De Klerk en vooral van de eerste zwarte president, Nelson Mandela, heeft in deze een cruciale rol gespeeld. Samen kregen ze daarvoor de Nobelprijs voor de Vrede.

Reistips
Zuid-Afrika heeft een erg gunstig klimaat en is daardoor het hele jaar door prima te bereizen. De drukste maanden om Zuid-Afrika te bezoeken zijn de Afrikaanse wintermaanden, juli en augustus en de Afrikaanse zomermaanden, december en januari, wanneer de grote vakantieperiodes op respectievelijk het noordelijk en het zuidelijk halfrond gehouden worden In deze maanden zijn de vliegtickets ook vrij prijzig, tussen de € 600 en € 900. Maart t/m mei zijn vaak vrij nat!

Voor meer informatie kunt u terecht bij het Zuid-Afrikaanse verkeersbureau: www.southafrica.net

Veiligheid: Zuid-Afrika heeft zeer hoge criminaliteitscijfers. Gewelddadige berovingen, inbraken en verkrachtingen zijn aan de orde van de dag. De laatste jaren daalt de criminaliteit gelukkig aanzienlijk. Maar het vindt nog steeds op grote voet plaats, vooral in bepaalde wijken van Johannesburg, waar je als toerist vooral ’s avonds niet alleen over straat moet gaan. Het merendeel van de criminaliteit vindt plaats in de grotere townships. Het voormalige thuisland Transkei staat bekend om haar gewelddadige geschiedenis, maar als je niet alleen reist vallen de risico’s erg mee.

In het noordoosten, o.a. het Krugerpark, komt in bepaalde jaargetijden Malaria voor, medicatie is aanbevolen. Buiten de steden in het niet aan te raden om water uit de kraan te drinken.

Het Nelson Mandela Museum

Het Nelson Mandela museum is in drie gedeelten opgedeeld. In Umtata staat het Bhunga gebouw met een grote hoeveelheid buitenlandse geschenken en een overzicht van Mandela’s leven. Ten zuidwesten van Umtata ligt Mvezo, daar waar Mandela geboren is en het ‘openlucht museum’ is. En ten zuiden van Umtata ligt Qunu, daar waar Nelson Mandela jeugd- en erfgoedcentrum is. Zie ook: www.mandelamuseum.org.za

Top

Lanzarote

Mocht één van de echtgenoten het in zijn hoofd halen de macht te grijpen; werd zijn bol geofferd aan de guillotine. Deze koelbloedige heerseressen legden de ordentelijke basis voor dit eiland, dat voor Spaanse begrippen opvallend proper is. Eigenschappen als gehoorzaamheid en respect passen dit eiland. Niemand overschrijdt de maximum snelheid. Niemand gooit dat lege colablikje op straat. Geen mens sjouwt rond met een gillende transistor. De gracieuze dorpen van Lanzarote zijn door de Spaanse overheid genomineerd als de fleurigste van de gehele natie.

 De macht van de vrouw is tot op de dag van vandaag actueel, gezien het gezag van de grootmoeder in haar familie. Op dit honderd procent katholieke eiland is zij de “patriarch”! Na de traditionele kerkgang komt de gehele familie samen op de gemeenschappelijke Finca om de dag op het platteland door te brengen. Onder het kritische gehoor van oma worden de oogst en de omzet van het bedrijf besproken. Zij is degene, die nauwlettend in de gaten houdt of de intellectuele en culturele talenten van al haar kleinkinderen worden ontwikkeld. De grootmoeder regelt dat haar gezinshoofden gezamenlijk voorzien in de studiekosten van haar oogappels. Er is geen kind op het eiland dat kan zeggen: “Ik heb niet de kans gekregen mezelf te ontwikkelen.” Is de studie op het Spaanse vasteland voltooid, dan keert het kleinkind terug naar Lanzarote om er te werken. Voor minimaal twee jaar. Een goed doordachte dankbetuiging. Het geeft oma’s de kans huwelijken te arrangeren, waarmee zij de vergrijzing op het eiland tegengaan. De vele fiësta’s, processies en bedevaarten (met name om de patroonheilige van het eiland te danken voor het tegenhouden van de lavastroom) illustreren de hechte familiebanden op het eiland, maar zeker ook de gastvrije inborst. Iedere oprecht belangstellende wordt opgenomen in het feestgedruis en betrokken bij de ingetogen religieuze momenten. Wie begin zeventiger jaren Lanzarote bezocht, trof een natuur die zich presenteerde als zwarte, sinistere schoonheid, waarin de terracottakleurige bebouwing verdween. Met de bouw van het Hotel Gran Melia Salinas, eind jaren zeventig, kreeg het vulkanische eiland een ontziltingsfabriekje en werd het voorzien van zoet water, met als gevolg dat het landschap verfraaide met bougainville, palmbomen, kleurrijke wingerds en rozen.

Nieuwe flora
De permanente komst van de Madrileense kunstenaar César Manrique, die groot aanzien geniet binnen de Spaanse populatie, leidde tot een aantal ongeschreven schoonheidswetten binnen de infrastructuur. Zijn suggesties voor kleur en bouwstijl vinden tot op heden navolging en houden de plannen en het ‘grote’ geld van bouwondernemingen en multinationals buiten de deur. Naast de nieuwe flora, siert het contrasterende wit van de laagbouw de inktzwarte entourage. Het schilderwerk van het hout beperkt zich tot het blauw van de hemel en de zee, plus de kleuren groen en bruin ter compensatie voor de ontbrekende bomen. De geestelijke nalatenschap van deze kunstenaar beklijft. Op Lanzarote vecht men voor het behoud van zeggenschap over zijn omgeving. Dit eiland wordt niet ontsierd door grote booreilanden voor de kust, noch door wanstaltige betonnen complexen om toeristen te huizen. Het eiland van de slapende vulkaan blijft van hen!

Waar West-Europese regio’s bakkeleien over het wel of niet plaatsen van windmolens i.v.m. mogelijke ontsiering, staan esthetiek en schone energie voor Lanzarote op één lijn. Windmolens, naar zowel traditioneel als modern ontwerp, zonnepanelen en maximale afvalrecycling, zijn voor de eilandbewoners logische investeringen voor een duurzame leefomgeving. Natuur en cultuur op gedurfde wijze laten harmoniëren, dé passie van César Manrique, beïnvloedt het leven op Lanzarote. Bouwwerken als het Mirador del Rio en het Jameos del Aqua tonen aan hoe zeer de lef van César Manrique om moderne kunst toe te passen in het stoere karakter van Lanzarote is geslaagd. Bij de Fundación Cesar Manrique, waar design, beeldhouwkunst en schilderwerken te bewonderen zijn, leest men de geschiedenis van deze bewogen man. De opbrengst van deze stichting wordt gebruikt voor artistieke vorming van de jeugd, zowel binnen de beeldende kunst, als binnen muziek, ballet en het theater. Het initiatief om met inkomsten van toeristische trekpleisters het bestaan van boeren en traditionele ondernemingen te subsidiëren, komt ook van César Manrique. Zo ondersteunen de entreegelden van Jardin de Cactus in Guartiza de eigenaren van cactusplantages voor het kweken van cochenilles waaruit een rode kleurstof gewonnen wordt. Behalve voor farmaceuten, interessant voor de cosmetische industrie in verband met de juiste kleur voor lipsticks.

Tradities
Een ander voorbeeld vindt men bij Salinas de Janubio: de zoutduinen. Een souvenirwinkeltje sponsort de verwerking van het zeemineraal tot badzout en zuiveringssoda. In de gesprekken met de bevolking weerklinkt de liefde voor de leefomgeving en de tradities. César Manrique had geen betere voedingsbodem voor zijn ideeën kunnen treffen. Het is duidelijk: De relatie tussen de Madrileen en de Lanzarot is als een inspirerend huwelijk. César Marinque ontwierp de binnentuin met het prachtige zwembad van het Grand Melia Salinas aan de Costa Tequise. Talloze werken van hem schitteren in het interieur van dit verblijf, waar de eilandbewoners hun gasten grenzeloos verwennen. Gezien de centrale ligging is dit hotel een ideaal vertrekpunt om Lanzarote te verkennen. Het eiland verwierf bekendheid met het duistere Park Nacional Timanfaya en de lagune bij het woeste El Golfo. Plekken waar de krachtmetingen tussen land, vuur en water duidelijk worden. Waag ook eens een rit naar Playa de Cho Gregorio. Dwars door de schitterende, tevens macabere, lavastroom leidt een hobbelige route naar dé ultieme plek om te snorkelen.Trotseer een 670 hoog massief en bereik het Playa de Famara voor een surfavontuur. Op strandjes waar geen mens te vinden is, lijkt het paradijs dichtbij.

Dwaal door het verlaten Peña del Silbo. De in het noorden gelegen bergen zijn groener en rijker aan flora en fauna. Kleine weggetjes slingeren door het gebied en trakteren op de mooiste vergezichten en op robuuste kustlijnen. De kans is groot illegale truffelstekers te verrassen of een herder te spotten die zijn schapen verweidt. In de noordelijk gelegen dorpjes pronken de jagers met hun buit van de konijnenjacht. De pelsen worden verkocht aan bewoners van buureilanden met een koudere winter. Beklim de heuvels naar het Castillo de Sancta Barbara (waar ook het immigrantenmuseum is gehuisvest) om bij helder weer het hele eiland te overzien. Fêteer jezelf op een lunch van aardappeltjes met knoflookdressing in de oude hoofdstad Tequise en proef de tongstrelende eenvoud van de Canarische keuken. Achter de groene luiken van deze oude hoofdstad schuilen de meest originele en chique winkeltjes. Dit geldt overigens ook voor de huidige hoofdstad Arrecife, waar in de kleinste steegjes, zowel het aanbod van topdesign als van lokaal handwerk te vinden is. Rijd naar de zaterdagmarkt in Haria voor de aan waslijnen gedroogde vis en verse cactusvijgen. Regel daar meteen een ontmoeting met de doofstomme Ladisloa Rodriquez. In een achterafstraatje knipt en scheert hij zijn klanten. Hij is de lokale trots! Deze, zich slechts van gebarentaal bedienende voetbalcoach, leverde twee vedettes aan FC Barcelona! Ladisloa’s clientèle pronkt met zijn verzameling wedstrijdbekers en oorkondes in het efficiënt ingerichte kapperszaakje, waar nationale en internationale sportprestaties worden becommentarieerd.

Wijnboeren
Ezels en Picon: de bewerking van het land blijkt lucratief, ondanks de massieve vulkanische bodem. Waren het ooit kamelen die de groeven in de akkers trokken, tegenwoordig klaren ezels deze klus voor de agrariër en maken zij de glooiende terreinen gereed voor drie oogsten per jaar. Uien, aardappels, meloenen en cactusvijgen zijn de voornaamste producten. Elke zichzelf respecterende familie op Lanzarote verbouwt zijn eigen wijn. De wijnboeren in La Geria poten de druivenstruiken diep in de keiharde grond om de kwetsbare planten te beschermen tegen de eeuwige wind. Met het eindresultaat wordt geproost op familiebijeenkomsten, het wordt geschonken in de bodega’s en is op de markt te koop. Topkwaliteit kenmerkt de wijnproductie van Lanzarote, die vooralsnog, niet de kans kreeg te worden geëxporteerd, aangezien de voorraad wordt opgekocht door vinologen van luxe hotels.Fascinerend eenvoudig irrigeert men de massieve bodem. Géén ingewikkelde systemen, géén verspillende besproeiing gedurende de hitte overdag. Men gebruikt de zogeheten Picon, een vulkanische steentje gewonnen bij de mijnen van het Pena del Silbo en Montanã de Iguaden. Dit gesteente heeft het vermogen het nachtvocht uit de lucht op te nemen en het zout daaruit te filteren. Tegen de ochtend wordt het vocht afgegeven aan de aarde. Deze rijkdom is exclusief voor eigen gebruik en mag niet worden geëxporteerd.

 Een bezoek aan het schilderachtige buureilandje La Graciosa is een absolute must. Al was het maar vanwege de boottocht die schitterend zicht geeft op de ondoordringbare uitlopers van het Risco de Famara op Lanzarote. Vanuit het vissersplaatsje Orsola vertrekt het veerbootje naar Spanjes meest oorspronkelijke plek. In het pittoreske haventje Caleta de Sebo van La Graciosa, blinken propere huisjes langs de zandpaden. In kruiwagens versjouwen de bewoners de per boot meegebrachte spullen naar huis. Op wat luttele vierkante kilometers leeft een bevolking ongekunsteld in harmonie. Er heerst een volkomen rust. Op het trapje van haar voordeur vlecht een vrouw een zonnehoed. In de schaduw van de witgekalkte omheining van de binnentuin, bereidt een man de groenten. Er blaft een hond. Er kraait een papegaai. Vijfentwintig kinderen informeren zich over de buitenwereld, waarvoor werkelijke nieuwsgierigheid ontbreekt. Men hecht waarde aan de eigen leefstijl en huwelijken binnen de vijf eilandfamilies zijn dan ook populair. Het eiland ligt in een beschermd natuurgebied wat luidruchtige watersport uitsluit. Een handvol dagjesmensen vermaken zich met zwemmen en snorkelen in de kristalheldere zee. Voor nog geen vijf euro genieten zij van koude cola en paella op het terrasje van Señora Erinquita. Zwaar weer kan La Graciosa isoleren van Lanzarote en een bezoek of terugtocht verhinderen. In het laatste geval opent Senora Eringuita de deuren van haar logement. Eén dag in de eenzame stilte van dit lieflijke eilandje is voldoende om lijf en geest volledig op te laden.

Tweede natuur

Een lekkere dag aan zee, een lui moment met de krant aan de zwembadrand, ook dat biedt Lanzarote. Doeners met een brede culturele interesse kiezen voor dit eiland. Hier is duurzaamheid een tweede natuur. Dit eiland heeft stijl. Begrijpelijk dat ook het koningspaar van Spanje de plek voor hun favoriete vakantiewoning vond aan de Costa Teguise.

Top